Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gelijk reeds gezegd is, treedt Jezus met den naam van Zoon des menschen niet eerst op tegen het einde van zijn leven, maar was Hij zich zijn Messiasschap bewust van het eerste oogenblik zijner openbare werkzaamheid afaan en begon deze krachtens die bewustheid. Reeds op twaalfjarigen leeftijd wist Hij, dat Hij moest zijn in de dingen zijns Vaders, Luk. 2 : 49. In den doop door Johannes ontving Hij van zijne roeping het Goddelijk teeken en zegel, Luk. 3 : 21. En terstond trad Hg op met den naam van Menschenzoon, lang vóór het voorval in Cesarea Philippi, Mk. 2: 10, 28. Hij gaf zichzelven van den aanvang af eene bijzondere en geheel eenige plaats in het koninkrijk Gods, deed werken, die zijn Messiasschap onderstellen, en eischte eene eere, die alleen dan Hem toekomt, wanneer Hij de Messias is, Mt. 5 :11, 10 :18, 32, 37,12 : 6, 41,19 : 29. Maar wel is het waar, dat Hij den naam van Zoon des menschen in den eersten tijd spaarzaam gebruikte, en dat Hij te veelvuldiger hem bezigde, als Hij na het voorval bij Cesarea met de Messianiteit ook het lijdensprogram verbinden kon. Jezus moest zijne discipelen zóó opvoeden, dat zij Hem erkenden als Messias en toch niet op Hem overdroegen al die aardsche politieke verwachtingen, die in dien tijd met de Messiaansche idee verbonden waren. Hiermede is tevens uitgesproken, dat Jezus' zelfbewustzijn als Messias zich niet historisch of psychologisch verklaren laat. Het is terstond bij Jezus' optreden aanwezig; het is niet af te leiden uit den invloed der apocalyptische litteratuur, die zonder twijfel door Baldensperger in het algemeen en ook in betrekking tot Jezus overschat wordt. Deze ziet zich daarom ook zelf genoodzaakt, om verder, n.1. tot het religieuze bewustzijn van Jezus, tot zijn Godsbewustzijn terug te gaan en te zeggen, dat bij den doop met zijn Godsbewustzijn zijne Messianiteit Hem onmiddellijk bewust werd; toen ontwaarde Hij Gods nabijheid als nooit te voren, toen hoorde hij inwendig in zich de stem: Gij zijt mijn Zoon 1). Tot op zekere hoogte is dit juist. Jezus' bewustzijn,

wusstsein Jesu 1907 bl. 50 v. Kahler, Zur Lehre v. d. Yersöhnung 1898 bl. 75 v. Fiébig, Der Menschensohn. Tüb. 1901. Tïllmann, Der Menschensohn. Jesu Selbstzeugnis für seine Messian. Würde. (Bibl. Stud. v. Bardenhewer, XII 1—2) 1907. Warfield, The Lord of Glory. American Tract Society, New-York 1907.

J) Baldensperger, Das Selbstbew. Jesu bl. 160. Harnack, Wesen des Christ. Akad. Aufgabe bl. 81 zegt van Jezus als. den Zoon Gods: Wie er zu diesem _ Bewustsein der Einzigartigkeit seines Sohnesverhaltnisses gekommen ist, wie er zu dem Bewustsein seiner Kraft gelangt ist und der Verpflichtung und Aufgabe, die in dieser Kraft liegen, das ist sein Geheimnis und keine Psychologie wird

Sluiten