Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat Hij de Messias was, vloeide voort uit de wetenschap, dat Hij in eene geheel eenige verhouding stond tot God. Hij noemde zich Zoon des menschen, maar ook Zone Gods.

In het Oude Testament werd het volk Israël, dan de koning en vooral de Messias met dien naam aangeduid 1). Deze theocratische beteekenis heeft de naam Zoon Gods misschien ook nog in den mond van de bezetenen, Mt. 8:29, de Joden, Mt. 27 :10, den Hoogepriester, Mt. 26 : 63, en zelfs van de discipelen in den eersten tijd, Joh. 1: 50, 11: 27, Mt. 16 :16. Maar Jezus legt in dezen naam een anderen en dieperen zin. Hij is Zoon Gods, niet omdat Hij Messias en Koning is, maar Hij is het laatste, omdat Hij het eerste is, omdat Hij Zoon des Vaders is. God is zijn Vader, Luk. 2:49; Hij is de ééne Zoon, dien de Vader liefhad en dien Hij ten laatste zond, Mk. 12:6; bij den doop, Mt. 3: 17, en later bij de verheerlijking, Mt. 17 :5 noemt God Hem zijn geliefden Zoon, in wien Hij al zijn welbehagen heeft; en in Matth. 11:27 zegt Hij, dat alles, wat tot uitvoering van Gods svöoxia noodig is, Hem is overgegeven en dat alleen de Vader den Zoon en de Zoon den Vader kent. Dit Zoonschap is de bron van al zijn leven, denken en handelen. In die bewustheid stelt Hij zich boven de ouden, Mt. 5 : 18v., boven Jona en Salomo, Luk. 11: 31, 32, boven de engelen zelfs, Mk. 13:32. Wetende, dat Hij in geheel eenige verhouding staat tot den Vader en koning van het Godsrijk is, spreekt Hij zalig, Mt. 5 : 3v., Luk. 10 : 23, vergeeft Hij de zonden, Mk. 2 :20, eischt Hij alles om zijnentwil te verlaten, Mt. 5:11, 10:18, 22 enz., en verbindt daaraan den ingang in het eeuwige leven. De Synoptici bevatten reeds in kiem alles, wat later door de apostelen en ook door de Christelijke kerk over den persoon van Christus geleerd werd. Het is waar, dat de discipelen vóór Jezus' opstanding nog geen recht inzicht hadden in zijn persoon en werk. De Evangeliën zeggen ons dat zelve. Vandaar dat Jezus in zijn onderwijs ook met de vatbaarheid zijner jongeren rekende, hen allengs opleidde tot de kennis van zijn Zoonschap en zijne Messianiteit en veel overliet aan de onderwijzing des Geestes, Joh. 16:12. Maar de

68 erforschen. Verg. ook Grau, Das Selbstbewustsein Jesu. Nordlingen 1887. d'Arcy, art. Consciousness in Hastings' Dict. of Christ. I 361 v. Steinbeck, Das göttliche Selbstbewustsein Jesu nach dem Zeugnis der Synoptiker. Leipzig 1908.

i) Verg. deel II 276 en voorts Dalman, Die Worte Jesu. Leipzig 1899. Holtzmann, Neut. Theol. I 265 v. Sanday, art. Son of God, in Hastings, D.B. IV 568 v. Stalker, art. Son of God in Hastings, Dict. of Christ. II 654 v.

Sluiten