Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en dat deze menschgeworden Logos eene onverbrekelijke eenheid is. Hij is vere homo et vere. deus, adv. haer. IV 6, 7, het is een en dezelfde Christus, die de wereld geschapen heeft en die geboren en gestorven is, III 9, 3, 16, 6, 19, 1 enz. Tertullianus leert evenzoo en spreekt nog sterker van twee substanties in Christus, carnea en spiritalis, van twee conditiones, divina et humana, de carne Chr. 5, en nam in Hem aan duplicem statum, non confusum sed conjunctum in una persona, Deum et hominem verum,. adv. Pr. 27. Spoedig werd daarna in het Westen voor deze leer van Christus de formule gebezigd, dat Hij was una persona met duo naturae. Augustinus drukt zich geregeld aldus uit; ita vero inter Deum et homines mediator apparuit, ut in unitate personae copulans utramque naturam, et solita sublimaret insolitis et insolita solitis temperaret, Ep. ad Volus. 3. In het Oosten bleef echter de terminologie, evenals in de triniteitsleer, langen tijd onvast en daarom voor allerlei misverstand vatbaar. De woorden ovaia, (pvaig, vjioataaic, nooaomov misten nog strenge bepaling en werden daarom dooreen gebruikt; zelfs Cyrillus duidt de menschelijke natuur van Christus nog dikwerf als vnoataaig in plaats van als c/vcrig aan, en spreekt dan toch weer van ééne natuur in Christus, fiia asaaqxwfisvr] yvffig ; de vereeniging van beide naturen werd door Gregorius Naz. en Gregorius van Nyssa als eene uit;tg, uvaxoaaig, en door Cyrillus als eene évwaig (pveixr] of xaza (pvaiv aangeduid ; en datgene, wat door de hypostatische vereeniging tot stand kwam, werd meermalen niet dg maar sv genoemd 1). De epistola dogmatica van Paus Leo den Groote aan Elavianus droeg er echter veel toe bij, om ook in het Oosten het helder inzicht en het nauwkeurig spraakgebruik in de leer van Christus te bevorderen 2). En te Chalcedon werd, na verwerping van het Nestorianisme, het Patripassianisme, het Eutychianisme enz., de belijdenis van Christus vastgesteld als van één en denzefden Zoon en Heere rsksiov %ov aviov sv ■9-soTinTi xai tsXsiov tov ccvtov sv dv&QoonoTrjTi) %/tov akrj&oog xai dv&Qwnov dkijihijg

iov avrov, éva xui tov aviov yjudiov, vlov, xvqiov, fiovoysvrj, sv

övo (pvGsGiv (volgens de oorspr. lezing ; niet sx êvo q vasoiv) d<svy%VTa>g, dTQSTtroog, dóictiQsrcog, dxcoQicfTcog yvooqi^ofisvov 3).

J) Sohwane, D. G. II 294 v. 341 v.

-) Hahn, Bibl. der Symbole und Glaubensregeln der alten Kirche.3 Breslau 1897 bl. 321-330.

3) Hahn, t. a. p. bl. 166.

Sluiten