Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had afgelegd (xsvwaig yor^fug); Hij bleef ze wel behouden, maar alleen potentia, niet actu; eerst bij de verhooging nam Hij ze ook in gebruik 1).

De Gereformeerden verkeerden van den aanvang af in veel gunstiger conditie; zij hebben de Grieksche, Roomsche en Luthersche vermenging van het Goddelijke en menschelijke ook in de leer van Christus principiëel overwonnen. Ofschoon de eenheid des persoons ten strengste handhavende, hebben zij ook op de menschelijke natuur van Christus den stelregel: finitum non est capax inflniti toegepast, en dezen niet alleen in den staat der vernedering, maar ook zelfs in dien der verhooging gehandhaafd. Zoo kreeg de G-eref. theologie ruimte voor eene zuiver menschelijke ontwikkeling van Christus, voor eene successieve mededeeling van gaven, voor een wezenlijk onderscheid tusschen vernedering en verhooging. En toch heeft zij daarbij het Nestorianisme, waarvan ze steeds beschuldigd werd, ernstig vermeden. En dat kwam daardoor, dat in Grieksche, Roomsche en Luthersche theologie de nadruk altijd viel op de vleeschwording van het Goddelijk wezen, van de Goddelijke natuur. Indien die natuur niet vleesch wordt, schijnt het werk der zaligheid, de gemeenschap met God, gevaar te loopen. Maar de Gereformeerde theologie stelde op den voorgrond, dat de persoon des Zoons vleesch is geworden; niet de substantie, maar de subsistentia des Zoons nam onze natuur aan. In dien persoon ligt de eenheid der beïclë naturen, in weerwil van beider strenge onderscheiding, onwankelbaar vast. Gelijk in de leer van de triniteit, van den mensch als beeld Gods en van de verbonden, zoo treedt ook hier in de leer van Christus de Gereformeerde gedachte van het persoonlijke, bewuste leven als het rijkste en hoogste leven, zeer duidelijk op den voorgrond 2).

!) Verg. behalve Chemniz e. a. bovengenoemd, Dorner, Entw. II 771—847. Id.r Gesch. der prot. Theol. bl. 569 v. Frank, Theol. der Concordienforrael III165— 396. Schneckenburger, Vergl. Darst. § 26. Id., Zur kirchl. Christologie. Die orthodoxe Lehre vom doppelten Stande Christi nach Luth. und Ref. Fassung 1868. Sartorius, Christi Person u. Werk I3 520 v. Philippi, Kirchl. Gl. IV 1 bl. 243 v. Art. Doppelter Stand Christi in RE.1 Art. Kenotiker und Kryptiker in RE.2 Art, Comm. id. in PRE3 IV 254—261. E. Weber, Der Einfluss der protest. Schulphilos. auf die orthod. luth. Dogm. Leipzig 1908 bl. 96 v. 153 v.

2) Verg. behalve de bovengenoemde litteratuur ook nog Owen, Declaration of the glorious mystery of the person of Christ, God and man, AVorks I en\eider Walch, Bibl. theol. sel. I 259. M. Vitringa, Doet. V 45. 202.

Sluiten