Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

358. Al deze ontwikkelingen van de leer van Christus gaan uit van en bewegen zich binnen de grenzen van het symbolum Chalcedonense. Maar lang niet alle Christenen konden zich vinden in deze belijdenis. Ten allen tijde waren er, die ter rechter of ter linker zijde afweken en in het voetspoor traden van het oude Ebionitisme of Gnosticisme. Aan de eene zijde scharen zich het Arianisme, Nestorianisme, Socinianisme, Deïsme, Rationalisme enz., en aan den anderen kant vertoonen zich het Patripassianisme, Sabellianisme, Monophysitisme, Anabaptisme en het Pantheïsme in al zijne verschillende vormen 1). Vooral in de nieuwere theologie is de gedachte heerschend geworden, dat de leer der twee naturen wel paste bij de Grieksche theologie en kerk, maar thans voor ons alle religieuze waarde verloren heeft, dat ze ook onder de critiek van het Socinianisme en Rationalisme onherroepelijk bezweken is, en daarom thans in geheelen nieuwen, religieus-ethisch en zin, behoort gewijzigd te worden 2). Deze nieuwe Christologie heeft hare voornaamste vertegenwoordigers in Kant, Schleiermacher en Ritschl.

Kant kon de Bijbelsche en kerkelijke leer van Christus niet aanvaarden, wijl hij de kenbaarheid van het bovennatuurlijke loochende en, uit het du solist tot het du kannst besluitende, geen Verlosser van noode had. Christus kon daarom voor Kant nog slechts blijven een voorbeeld der zedelijkheid en een leeraar der deugd. Alwat Schrift en kerk voorts nog van dien Christus uitsprak, had slechts symbolische waarde. De kerkelijke Christus is het symbool van de Gode welgevallige menschheid ; deze is de ware, eengeboren, veelgeliefde Zoon, om welken God de wereld schiep. De menschwording van Christus symboliseert het ontstaan van het ware zedelijke leven in den mensch ; zijn plaatsvervangend lijden beteekent, dat de zedelijke mensch in ons boeten moet voor het kwaad van den zinlijken mensch ; het geloof aan Christus duidt aan, dat de mensch tot zijne zaligheid gelooven moet aan de idee der Gode welgevallige menschheid. In één woord, de historische mensch Jezus is geen middelaar

*) Verg. over deze afwijkingen in de leer van triniteit en incarnatie reeds vroeger deel II 293—331, en voorts nog Petavius, de incarnatione I c. 1: synopsis haeresium omnium, quae cath. incarnationis fidem oppugnarunt. Forbesius a Corse, Instruct. hist. Theol. lib. 2. 3. 5. 6. M. Vitringa, Doctr. V 46 v., en de werken over dogmenhistorie.

2) Strausz, Christl. Glaub. II 153 v. Harnack, D. G. I 3 v. III 653 v. 691 v. Loofs, Dogmengesch.-1 bl. 942 v. G. Krüger, Das Dogma von der Dreieinigkeit und Menschwerdung. Tüb. 1905 bl. 267 v.

Geref. Dogmatiek III. -j q

Sluiten