Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoogste standpunt zijner ontwikkeling bewust x). Yan deze philosophische praemissen uit zochten Marheineke, Rosenkranz, Göschel Daub, Conradi e. a. nog wel de vleeschwording Gods in Christus te handhaven, maar Strausz trok de consequentie en zeide in zijn Leben Jesu 2), dat de idee hare volheid niet in één exemplaar uitstort, maaralleen in eene veelheid van individuën ; de menschheid is de menschgeworden God, die ontvangen is van den H. Geest, zondeloos leeft, opstaat uit de dooden, opvaart ten hemel enz. In de moderne dogmatiek, welke van deze wijsgeerige gedachte uitgaat, blijft er daarom geene plaats meer over voor Christus, anders dan als een religieus genie, «en leeraar der deugd, een profeet, die de religie het diepst verstaan, Gods liefde het duidelijkst geopenbaard en de eenheid en gemeenschap van God en mensch het klaarst uitgesproken heeft; doch de persoon van Christus staat zelf feitelijk buiten het wezen des Christendoms 3). Niet ten onrechte sprak daarom von Hartmann met het oog op deze moderne theologie van eene crisis en eene „Selbstzersetzung" des Christendoms 4).

Eene andere richting werd ingeslagen door Schleiermacher. Hoewel de kerkelijke leer van Christus beslist verwerpende, trachtte hij toch de fout der speculatieve philosophie te vermijden, om n.1, het wezen des Christendoms te zoeken in eene abstracte idee en deze los te maken van den historischen persoon van Christus. Daartoe ging hij uit van de ervaring der gemeente, van het Christelijk bewustzijn, dat tot inhoud heeft de verzoening en de gemeenschap met God. De laatste oorzaak hiervan is nergens anders te vinden dan in den stichter der Christelijke gemeente, in wien daarom het Godsbewustzijn in absolute kracht aanwezig moet geweest zijn. En deze sterkte van zijn Godsbewustzijn was het zijn Gods in Hem, zoodat Hij het religiöse Urbild der menschheid is, zondeloos, volmaakt, hoogste product van het menschelijk geslacht en tegelijk door eene scheppende daad Gods voortgebracht als het volmaakte

Hegel, Religionsphilos., Werke XII 235 v. Verg. Bomer, t, a. p. II 1096 v.

2) Strausz, Das Leben Jesu 1835 II 716 v. 734 v. Chr. Gl. II 193: Die speculative Christologie. Verg. over Strausz: A. Hein, Die Christologie van D. Fr. Strausz, Zeits. f. Th. u. K. 1906 bl. 321—345.

3) Strausz, Chr. Dogm. II 214 v. ld., Alte u neue Glaube2 bl. 24 v. Schweizer, Chr. Gl. § 116 v. Pfleiderer, Grundriss, § 128. Biedermann, Chr. Dogm. II2 580 v. Lipsius, Dogm.2 § 588. Scholten, Initia c. 4. bl. 171.

4) Ed. von Hartmann, Die Krisis der Theol. u. die moderne Theol. 1880. Die Selbstzersetzung des Christ. u. die Religion der Zukunft3 1888. Das Christ. des N. Test. 1905.

Sluiten