Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus hoog boven alle menschen; zijn wil was volmaakt één met den wil Gods, met het plan en het doel, dat God in betrekking tot wereld en menschheid zich voorgesteld had. Maar daarom komt aan Christus eene groote religieuze beteekenis toe; in Hem is God zelf, zijne genade en trouw, zijn wil en bedoeling met de menschheid tot openbaring gekomen ; Christus heeft het ons getoond en met zijn dood bevestigd, dat het rijk Gods de bestemming aller menschen is, dat zijn wil de wil der gansche menschheid moet worden. Daarin bestaat de koninklijke macht, de wereldheerschappij van Christus, en daarin bestaat ook zijne Godheid. Christus is niet God in metaphysischen zin, maar de naam God duidt bij Hem zijn rang en stand in het Godsrijk aan, is dus geen wezens-, maar een ambstnaam. Christus mag God heeten, omdat Hij ten opzichte van ons de plaats en de waarde van God inneemt1).

359. De Christologie der negentiende eeuw, gelijk zij onder den invloed van Schelling en Hegel, Schleiermacher en Ritschl ontstond, kenmerkte zich in het algemeen daardoor, dat zij uit reactie tegen het rationalisme en moralisme tot den persoon van Christus terugging en aan zijne historische verschijning eene blijvende beteekenis voor het religieuze leven trachtte toe te kennen. Ook aan de volgelingen van Ritschl is dit streven eigen gebleven. Herrmann bijv. maakt onderscheid tusschen den grond en den inhoud des geloofs, en rekent tot den eersten alleen datgene, wat ook de strengste historiche critiek in Jezus erkennen en eerbiedigen moet, n.1. zijn „inneres Leben", zijne zedelijke grootheid en goedheid. Hoe weinig dit ook zij, het Christelijk geloof blijft toch bij Herrmann nog eenigermate gebonden aan den historischen persoon van Jezus en aanschouwt in zijne zedelijke goedheid een bewijs van de inwoning en de openbaring Gods in Hem 2). Kaftan neemt een veel meer behoudend standpunt in, en acht zich volstrekt niet tegenover de wetenschap verplicht, om het historisch beeld van Jezus tot zijn innerlijk leven te beperken. Integendeel, de verhoogde Heer, dien de gemeente

') Ritschl, Rechtf. u. Vers. III2 358 v. Unterricht in der christl. Heiig.2 1881 bl. 17 v. Verg. Joh. Wendland, Albrecht Ritschl und seine Schüler. Berlin 1899 bl. 84 v.

*) Herrmann, Der Verkehr des Christen mit Gott. 1886 bl. 18 v. .92 v. Id., Warum bedarf unser Glaube geschichtlicher Thatsachen ? Verg. ook deel I 167. 584 v. en ook Robert Favre, Le Christ historique d' après W. Herrmann, Revue de theol. et de philos. 1900 bl. 454—476,

Sluiten