Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belijdt, is geen andere dan de historische Heiland, die op aarde rondwandelde. Maar omdat God op eene geheel eenige wijze in Hem was, omdat de volkomene openbaring Gods in Hem tot ons gekomen is, en God in Hem zijn geest en zijn leven ons mededeelt, daarom spreekt de gemeente terecht van zijne Godheid en belijdt Hem als haar Heer en God l)- Haring acht het niet bepaald noodig, van Jezus' Godheid te spreken, omdat deze naam allerlei misverstand en verdeeldheid schept, maar handhaaft er toch het recht toe, omdat Christus de volle zelfopenbaring Gods is ; eD deze openbaring aanschouwt hij in den historischen Jezus, gelijk de Evangeliën Hem beschrijven, en die o. a. ook zijne opstanding insluit2). En zoo is er onder de volgelingen van Ritschl allerlei verschil ovei hetgeen in den historischen Jezus geacht mag worden vast te staan; sommigen laten het beeld van Christus rechtstreeks uit de Evangeliën op den mensch inwerken (Herrmann, Haupt), anderen denken meer aan eene bemiddeling door woord en gemeente, door het voorbeeld der Christenen en de werking des Heiligen Geestes (Joh. Weiss, O. Ritschl, Mas Reischle, Gottschick); de een is meer (O. Ritschl, Max Reischle, Haring), de ander minder af keerig van philosophie en metaphysica (Kaftan, Wobbermin, Wendt) ). Maar allen nemen toch eene bijzondere openbaring Gods in den historischen persoon van Christus aan en allen beijveren zich, om in de dogmatiek eene plaats voor de Christologie te behouden.

Daardoor onderscheiden zij zich van de moderne theologen, die,

1) Kaftan, Wesen der Chr. Eeligion 1881 bl. 295 v. Id., Brauchen wir ein neues Dogma 1890 bl. 49-72. Id., Dogmatik 1897 § 45-47. H. Schultz, over Kom. 9 : 5, Jahrb. f. d. Th. 1868 bl. 462-507. Id., Die Lehre von der Gottheit Christi 1881. Id., Grundriss der evang. Dogmatik 1890 bl. 72 v. Gottschick, Die Kirchlichkeit der s. g. kirchl. Theol. 1890 bl. 207.

2) Haring, Der Christi. Glaube 1906 bl. 426. Id., Gehort die Auferstehung Jesu zum Glaubensgrund? Zeits. f. Th. u. K. 1897 bl. 330-351. Ook Nitzsch, Lehrb. der evang. Dogm. 1892 bl. 514 spreekt liever van Christus als Gods Zoon, dan als God.

3) Haupt, Die Bedeutung der H. Schrift für den evang. Christen. Joh. Weiss, Die Nachfolge Christi, bl. 134 v. O. Bitschl, Zeits. f. Th, u. K. 1893 bl. 384 v. Kim, Glaube und Geschichte 1901. Id., Grundriss der Evang. Dogm. 1905 bl. 91 v. Traub, Zeits. f. Th. u. K. 1901 bl. 323 v. Max Reischle, Der Streit über die Begründung des Glaubens auf dem geschichtlichen Christus, Zeits. f. Th. u. K. 1897 bl. 171—264. Id., Leitsatze für eine akad. Vorlesung über die Christi. Glaubenslehre 1899 bl. 89 v. H. H. Wendt, System der chr. Lehre. Göttingen 1907. Verg. de vergelijking tusschen Haring en Wendt bij Kim, Zeits f. Th. u. K. 1908 bl. 337 388.

Sluiten