Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

360. Deze beschouwing leidde echter, gansch anders dan men verwacht had, tot eene groote onzekerheid omtrent den persoon en het werk van Christus. In den winter van 1899—1900 hield Harnack te Berlijn zijne Vorlesungen über das AVesen des Christentums, die wel grooten opgang maakten en van de zijde zijner geestverwanten uitbundig geprezen werden 1), maar aan den anderen kant toch groote ongerustheid wekten en den grooten afstand in het licht stelden tusschen de belijdenis van den Christus naar de Schriften en de moderne Jezus-leer. Volgens Harnack bestaat toch het wezen des Christendoms daarin, dat menschen door de verschijning, de leer en het leven van Jezus de ervaring kunnen opdoen, dat God hun Vader is en zij zijne kinderen zijn. Voor den zedelijken mensch bestaat er n.1. eene diepe tweespalt tusschen het zichtbare en het onzichtbare, het uit- en het inwendige, het vleesch en den geest, het Diesseits en het Jenseits, tusschen God

*) Verg. bijv. Foerster, Harnacks Wesen des Christ. eine Bestreitung odereine Verteidigung des Christl. Glaubens? Zeits. f. Tb. u K. 1902 bl. 179—201. Rolffs, Harnacks Wesen des Christ, und die relig. Strömungen der Gegenwart. Leipzig 1902. Met Harnack komt in de opvatting van het wezen des Christendoms ook Sabatier, Esquisse d' une philos. de la religion? 1903 bl. 139—210, en zelfs voor een belangrijk deel A. Loisy, overeen, in zijn Evangelium und Kirche. Autor. Uebersetzung nach der zweiten vermehrten, bisher unveröffentIichen Ausgabe des Originals von Joh. Griève-Becker. München 1904. Verg. Wobbermin, Loisy contra Harnack, Zeits. f. Th. u. K. 1905 bl. 76—102.

Voorts verdient het de aandacht, dat Harnack's Voorlezingen ook door de Joden met groote vreugde werden begroet en van hunne zijde tal van geschriften het licht deden zien, zooals Eschelbacher, Das Judentum und das "Wesen des Christ. Berlin 1905. Joseph, Zur Sittenlehre des Judentums. Berlin 1902. Back, Das Wesen den Judentums. Berlin 1905. Perles, Was lehrt uns Harnack? Frankfurt 1902. Ackermann, Judentum und Christentum. Leipzig 1903 enz. Men had op Harnack wel tegen, dat hij de oorspronkelijkheid van het evangelie en de zelfstandigheid der Christelijke religie nog handhaafde, en betoogde tegen hem, dat Jezus niets oorspronkelijks had geleerd; maar men verheugde er zich toch over, dat de leerstukken van drieëenheid, Godheid van Christus, erfzonde, voldoening, sacrament buiten het wezen des Christendoms werden geplaatst. Daarmede was toch de voornaamste scheidsmuur gevallen, welke vroeger tusschen Christenen en Joden was opgetrokken. Als de laatsten nu hunnerzijds ook het Talmudisme lieten varen en tot de liberale Joden overgingen, stond naar het getuigenis van Rabbi Lévy op het congres van vrijzinnigen te Genève 1905 (Actes du 3« congres intern. Genève 1906 bl. 121) en dat van Fiebig in Die Christl. Welt 1907 n. 40 aan beider eenheid zoo goed als niets meer in den weg. Verg. ook Strack en Bieling hierover in het Jahrbuch der evang. Judenmission I Leipzig, Hmrichs 1906 bl. 20 v. 47 v.

Sluiten