Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was er onder de apostelen nimmer sprake; allen beleden hun geloof en stelden hun heil in denzelfden Christus, al is het ook, dat zij Hem naar gelang van karakter en ervaringen van eene verschillende zijde laten zien. Door Paulus en Johannes op zijde te dringen, had men dus nog volstrekt niet den oorspronkelijken „historischen" Jezus gevonden. In de Synoptische Evangeliën moest men ook weer onderscheid gaan maken tusschen de trekken, die aan Jezus zeiven hadden toebehoord, en die, welke zijne jongeren er dan later aan toegevoegd hadden. Men moest zoo diep in de aardlagen der overlevering doordringen, totdat men op de onderste en oudste laag terecht kwam ; er moest zoolang gereduceerd worden, totdat enkel de mensch Jezus overbleef. Maar dit bleek een onbegonnen werk te zijn en tot grenzelooze willekeur te leiden. Ieder fatsoeneerde zich een Jezus op eigen hand, en vond dan ten slotte dien Jezus, wiens beeld hij zich vooraf in zijn eigen geest gevormd had. Voor Carlyle was Hij een heros, voor Strausz een religieus genie, voor Renan een liberaal hervormer en prediker der humaniteit, voor Schopenhauer een heraut van de Verneinung van den wil ten leven, voor Proudhon een sociaal hervormer *) — Kalthoff had niet geheel ongelijk, als hij den spot dreef met den Professoren-Christus, die er op de eene universiteit gansch anders uitziet dan op de andere, en toch onder dit alles nog aan het volk als het ideale voorbeeld, als de weg, de waarheid en het leven voorgehouden wordt 2). Over het karakter en het werk van Jezus, over zijne verhouding tot het Joodsche volk en de wet, tot de cultuur en de humaniteit heerscht het grootste meeningsverschil: zelfs over de vraag, of Hij zichzelf voor den Messias hield, loopen de gevoelens verre uiteen; velen geven op die vraag nog wel liefst een bevestigend antwoord, maar beschouwen de Messianiteit dan dikwerf nog slechts als den tijdelijken en nationalen vorm, waarin Jezus zijne bijzondere roeping voor het Godsrijk in te kleeden had,

') h' Weinel> Jesus im neunzehnten Jahrh. Tüb. 1903. A. Schioeitzer, Yon Reimarus zu Wrede Tüb. 1906. G. PJannmüller, Jesus im Urteil der Jahrhunderte. Leipzig 1908. Hollmann, Leben und Lehre Jesu, Theol. Rundschau 1904 bh 197-211. 1906 bl. 132-147. 253-275. S. Faut, Die Christologie seit Schleiermacher, ïhre Geschichte und ihre Begründung. Tüb. 1907. A. Rau, Harnack, Goethe, Strausz und Feuerbach (iber das Wesen des Christ. Delitzsch 1903. A. Hein, Die Christologie von D. Fr. Strausz, Zeits. f. Th. u. K. 1906 bl. 321—345. Hollensteiner, Harnack und Bousset, Neue kirchl. Zeits 1906 bl. 517— 533. W. Sanday, The life of Christ in recent research. Oxford 1907.

*) Kalthoff, Was wissen wir von Jezus ? 1904 bl. 40.

Sluiten