Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doch die voor ons eigenlijk zijne waarde verloren heeft (Harnack, Schürer, Jülicher, Holtzmann enz.), en anderen zijn geneigd, om op de vraag een meer of minder beslist ontkennend antwoord te geven (Lagarde, Wrede, Merx enz.) *)■ Bij zooveel verschil van inzicht bevreemdt de door sommigen getrokken conclusie met, dat wij wegens het gebrekkig en tendentieus karakter der bronnen waarschijnlijk nooit iets met zekerheid aangaande Jezus' te weten zullen kunnen komen, en dat zelfs zijn bestaan aan ernstigen

twijfel onderhevig is.

361. Dit radicalisme ruimt echter de bezwaren niet weg, maar wikkelt in nog grooter moeilijkheden. Want met dubbele kracht verheft zich dan de tweede der boven genoemde vragen, waaraan nl. de Christusfiguur in de geschriften des Nieuwen Testaments haar ontstaan te danken heeft. Zoo mogelijk wijken de denkbeelden hier nog verder van elkander af dan bij het onderzoek naar het bestaan en het karakter van den „historischen" Jezus. Sommigen meenen, dat er reeds vóór de Christelijke jaartelling eene secte van Nazoraei bestond, die eene zekere Godheid onder den naam van Jezus, dat is, Heiland of Bevrijder, vereerde en dezen cultus allengs in verbinding bracht met den Messias, den gezalfden Koning, die dooide Joden als hun Verlosser verwacht werd 2). Anderen stellen het zoo voor, dat er zich ten gevolge van de drukkende sociale toestanden te Jeruzalem eene gemeente gevormd had, welke naar communistische beginselen was ingericht en die aan den door haar vereerden, als een martelaar gestorven Jezus onder invloed van de denkbeelden van dien tijd allerlei verhevene praedicaten, zooals de bovennatuurlijke ontvangenis, de wonderkracht, de opstanding, de verhooging aan G-ods rechterhand, de spoedige wederkomst ten

1) Verg. H. J. Holtzmann, Das messianische Bewustsein Jesu. Ein Beitrag zur Leben-Jesu-Forschun g. Tübingen Mohr 1907 en de daar aangehaalde litteratuur. Voorts ook nog W. Brandt, Jezus en de Messiaansche verwachting, Teylers Th. T. 1907 bl. 461—568. Bruins, Hoe ontstond de overtuiging, dat Jesus de Christus is? Leeuwarden z. j. en de beoordeeling daarvan door Brandt, Teylers T. T. 1909 bl 583—592 en door de Graaf, Theol. T. 1909 bl. 413—434.

2) Meyboom, Jezus de Nazoraeer, Th. T. 1905 bl. 512-536. W. B. Smith, Der yorchristliche Jesus nebst weiteren Yorstudien zur Entetehungsgeschichte des Urchristentums. M. e. Yorwort von P. W. Sohmiedel. Giessen 1906, en de beoordeeling van dit werk door Wernle, Th. Lit. Zeitung 31 A.ug. 1907 en door Meyboom, Th. T. 1907 bl. 1-17.

Sluiten