Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hier verliest God zich in de schepselen en heeft H, geen eigen zijn en leven. Het is daarom gansch natuurlijk, als op dit standpunt de vleeschwording als ongerijmd verworpen wordt De Socm^nen kwamen hier rond voor uit en maakten aan dit dretmn ration hun exegese dienstbaar ■); zij noemden de incarnatie een droombeeld en een monstreus dogma, en achtten het lichter, dat een mensch een erf dan dat God menscb werd '). Evenzot> zenle Spinoza dat de menscbwording Guds even ongerijmd was als dat naturam qnadrati indnerit •). Alleen de theïstische en tanitarische belijdenis van Gods wezen opent de mogelijkheivoo het feit der incarnatie. Hier toch blijft God die Hij is en kan Hj tei l anderen zich mededeelen. Indien men naar het woord van Vinet eerst zichzelven hebben moet om zichzelven te geven, da is de absolute liefde slechts te denken als volmaaktheid van een drieeenig Goddelijk wezen. Dan toch alleen is er onderscheid taaien wezen en persoon, en daarom gemeenschap van den mensch door den persoon aan het wezen Gods zonder dat dit « den mensch vereenzelvigd wordt of in hem overvloeit De tan. tat maakt in één woord mogelijk, dat er een middelaar M

beide de Goddelijke en de menschelijke natuur deelachtig is en atoo God en meLh met elkander verbindt. Hoezeer dan ook d theosophie van Bóhme en Schelling aan het dwalen is geraakt, als zij de menschwording trachtte af te leiden uit het wezen_God toch ie het trinitarisch wezen de onderstelling en voorwaarde v

d%rb"Lt dlrom ook vast te houden, dat niet de Goddelijke natuur als zoodanig, maar bepaald de

menscb is geworden. Het patripassiamsme var. Praxeas H g ,

jjoëtus Beron, Beryllus, Sabellius »), is door de kerk ten a

«de bv op de synode van Aquileja, veroordeeld en komt ,n dezen

vorm niet meer voor. Maar naar zijne grondgedachte is het eigen aan alle pantheïstische stelsels, vooral die van Hegel, Schelling,

') Catech. Racov. qu. 98. 111.

2) Fock, Der Socin. bl. 52o. Wegscheider, ' n . ( 91 vers ook Bretschneider, Dogm. ü n

3) Spinoza, Epist. 21. V g Strausz, Die Christ. GlaubensDogra. § 128. Schleiermacher, Der Chr. Gl. S

lehre II 153 enz.

*) Dorner, Chr. Gl. II. 394 v 52 Dorner, Entwicklungsgesch. I 518.

5) M. Vitringa, Doctr. Chr. relig. \ oi. Vorner,

Loofs, Dogmengesch. bl. 184.

Sluiten