Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en tijd. In die schepselen heeft Hij dus als het ware zijne eeuwige gedachten, zijne oneindige almacht beperkt. Bepaaldelijk is <Je schepping des menschen naar Gods beeld eene onderstelling en voorbereiding van de menschwording Gods. Onder invloed van de pantheïstische identiteitsleer en ook in verband met de Luthersche commnnicatio idiomatum, heeft de nieuwere theologie hiervan veel misbruik gemaakt. In plaats van het oude: finitum non est capax infiniti, stelde zij den regel: homo divinae naturae capax, wees op de verwantschap van God en mensch, wischte beider onderscheid uit, en ging uit van de gedachte, dat voor beider volmaking de menschwording noodzakelijk was 1). Dit is door het Christelijk theïsme verboden. Maar toch, de mensch is Gode verwant, zijn beeld, zijn zoon, zijn geslacht; en daarom is de menschwording Gods mogelijk a), zoodat vragen, of God ook de natuur van een steen, eene plant of een dier kan aannemen, gelijk Occam die bevestigend beantwoordde 3), niet te pas komen. En als God dan den mensch schept naar zijn beeld, en in dien mensch woont en werkt met zijn Geest, invloeden op zijn hart en hoofd doet uitgaan, tot hem spreekt en zich aan hem te kennen en te verstaan geeft, dan is dat eene nederdaling Gods tot, eene accommodatie aan zijn schepsel, eene anthropomorfiseering Gods, en dus in zekeren zin en in zooverre eene menschwording Gods. Met en in de schepping is de mogelijkheid der openbaring en ook van de menschwording gegeven. Wie de vleeschwording onmogelijk acht, moet bij nadenken ook komen tot de loochening der schepping; wie de laatste aanneemt, heeft principiëel het recht verloren om de eerste te bestrijden 4). Vroeger is gebleken B), dat de mogelijkheid der schepping gegeven is met de generatie des Zoons; indien God onmededeelbaar ware, zou Hij noch aan den Zoon noch aan eenig schepsel het leven hebben kunnen geven. Nu moet er aan toegevoegd, dat, indien God heeft kunnen scheppen en zich heeft kunnen openbaren aan wezens, essentiëel van Hem onderscheiden, dan moet Hij ook mensch kunnen worden. Want de menschwording is zeker wel van alle andere openbaring

') Bomer, Entw. II 1227.

2) Thomas, Bonaventura e. a, op Sent. III dist., 1.

") Bij Stöckl, Philos. des M. A. II 1620.

4) De pantheïstische bewering, dat God zijn volheid niet in een enkel mensch, maar wel in de menschheid of in de wereld kan uitstorten, is daarom met zichzelve in tegenspraak. Ook eene veelheid van eindige schepselen blijft eindig. 6) Deel II 345. 444.

Sluiten