Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderscheiden, maar zij is er toch ook aan verwant, zij is er de spits, de kroon, de voltooiing van *). Alle openbaring werkt heen naar en groepeert zich rondom de vleeschwording, als de hoogste, rijkste, volkomenste openbaring. Generatie, creatie, incarnatie staan in nauw verband, ook al vloeit de volgende niet noodwendig uit

de voorafgaande voort.

Maar er is meer. De schepping zelve is reeds infralapsarisch te denken en Adam was reeds een type van Christus. Dit is onaannemelijk op het standpunt van hen, die meenen, dat God zonder raad en besluit tot de schepping is overgegaan en bij de schepping lijdelijk heeft afgewacht, wat de mensch doen zou. Maar de Schrift leert anders. Bij de schepping van Adam heeft God al op den Christus gerekend. De schepping zelve heeft in dezen zin de vleeschwording al voorbereid. De wereld is zoo geschapen, dat zij, vallende, weer kon opgericht; de menschheid is zoo onder één hoofd georganiseerd, dat zij, zondigende, weer onder een ander hoofd kon worden saamvergaderd; Adam is zoo aangesteld tot hoofd, dat Christus onmiddellijk zijne plaats kon innemen ; en het werkverbond is zóó ingericht, dat het, verbroken, in het genadeverbond kon worden geheeld. Ten onrechte heeft men daarom gemeend, dat de menschwording van Gods Zoon ook zonder de zonde zou hebben plaats gehad. Bij de kerkvaders komt dit gevoelen nog niet duidelijk voor z). Maar in de scholastiek werd deze vraag druk besproken; behalve de triniteit was de incarnatie een geloofsartikel ook vóór den val en noodzakelijk, om den mensch te brengen tot zijn bovennatuurlijk doel3). De vraag werd daarom bevestigend beantwoord door lïupert v. Deutz, Dn ris Scotus, Alexander Halesius, Albertus Magnus, Joh. Wessel, Catharinus, Pighius, Suarez 4), voorts door Osiander en Socinus 5), en dan door vele nieuwere theologen, Steffens, Göschel, Baader, Nitzsch, Martensen, Liebner, Lange, Rothe, Schöberlein, Ebrard enz 6).

Athanasius en Gregorius Nyss. bij Harnack, D. G, II 167.

?) Verg. alleen Tertullianus, de resurr. carnis 5. adv. Prax. 12.

*) Deel I 656. II 587.

4) Zie bijv. Duns Scotus, Sent. III dist. 7 qu. 3. Bellarminus, de Christo \ c. 10 neemt in deze quaestie geene beslissing.

5) Socinus, Prael. Theol. c. 10.

o) Verg. Bomer, Entw. II 1243-1260. Chr. Gl. I 642. In Engeland zijn vele theologen dezelfde meening toegedaan, zooals Westcott, Christus Consummatoi. London 1886 bl. 99 v. Hlingworth,The incarnation in relation to development. 5th essay in Gore s Lux Mundi. Hier te lande ook Van Oosterzee, Christologie III 85 v. Dogm. II 107. 495.

Sluiten