Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ders van de vleeschwording buiten de zonde. De bedoeling was alleen, dat de religie in werk- en genadeverbond wezenlijk eene en dezelfde is, en de zaligheid dus altijd bestaan moet in de gemeenschap met den drieëenigen God. AUeen_Oomriekwam door zijn streng volgehouden supralapsarisme tot de leer, dat de praedestinatie van den mensch Christus aan die van den val voorafging1). Maar overigens hielden zich de meeste theologen aan de Schrift, welke de vleeschwording van Christus altijd en alleen met de zonde in verband brengt en in haar het grootste bewijs van Gods ontferming ziet, Mt. 1: 21, 9 :13, 20: 28, Luk. 1:67, 2 : 30, Joh. 1:29, 3:16, Rom. 8:3, Gal. 4:4, 5, 1 Tim. 3:16, Hebr. 2:14, 1 Joh. 3:8 enz. De tegenovergestelde meening leidt ook zeer licht tot de gedachte, dat de menschwording op zichzelve voor God betamelijk en noodzakelijk is, dat is, tot de pantheïstische leer van V de eeuwige zelfopenbaring Gods in de wereld 2).

364. Eene derde en laatste voorbereiding van de vleeschwording is de geschiedenis der openbaring van het paradijs afaan. De incarnatie heeft niet terstond plaats gehad na den val; maar vele eeuwen zijn er van de eerste zonde tot op de komst van Christus in het vleesch verloopen. De Schrift wijst er op, als zij van de volheid des tijds spreekt, Ef. 1:10, Gal. 4:4, dat dit geen toeval of willekeur was, maar alzoo door God in zijne wijsheid was bepaald. De vleeschwording moest eerst in de voorafgaande historie door allerlei middelen en langs allerlei wegen worden voorbereid. Gelijk de incarnatie de generatie en de creatie onderstelt, zoo komt er thans nog eene onderstelling en voorbereiding bij, n.1. de revelatie. Het is inzonderheid Johannes in zijn proloog, die deze voorbereiding van de vleeschwording in de voorafgaande historie ons in het licht stelt. Niet alleen was de Logos in den beginne bij God en zelf God; en niet alleen zijn alle dingen door Hem gemaakt.

1) Verg. deel II 377. 402.

2) Irenaeus, adv. haer. V 14. Gregorius Naz. Or. 36. Augustinus, de verbis Apost. 8, 2. 7. Thomas, S. Theol. III qu. 1 art. 3, maar anders Sent. III 1 qu. 1 art. 3. Bonaventura, Sent. III dist. 1 art. 2 qu. 2. Petavius, de incarn. II c. 17. Schaezler, Das Dogma v. d Menschw. Gottes 307. Kleutgen, Theol. III 400. Quenstedt, II 108—116. Calovius, Isag. ad theol. 59—99. Calvijn, Inst. II 12, 4— 7. Mastricht, V 4, 17. Turretinus, Theol. El. XIII 3. Moor, III 759. M. Vitringa, V 47. J. Muller, Dogm. Abh. 1870 bl. 66—126. Philippi, K. Gl. IV 376. Frank, Chr. Wahrh. II2 80. Heraut, 264. 265. Orr, Ohr. View 319-327.

Sluiten