Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wel is waar begint alle bestrijding van de Godheid van Christus met een beroep op de Schrift tegen de confessie. Maar deze illusie duurt slechts een zeer korteD tijd. Onpartijdige exegese doet weldra zien, dat de leer der kerk veel meer grond heeft in de Schrift, dan men oorspronkelijk had verwacht. Zoo ziet men zich dan genoodzaakt, om van den Christus der apostolische verkondiging tot den Jezus der Synoptici teiug te gaan en deze laatste dan zoolang te cntiseeren, tot al het supranatureele eruit verdwijnt. De Godheid van Christus kan dan verklaard worden voor eene vrucht van diepzinnige theologische of philosophische speculatie, oorspronkelijk geheel vreemd aan de gemeente L). Dit duurt echter altijd slechts zoo lang, als men er prijs op stelt en belang bij heeft, om eigen geloof voor te stellen als het oorspronkelijke, zuivere Christendom. Zoodra dat standpunt verlaten • is, herneemt de onpartijdigheid hare stem en geeft der kerkelijke belijdenis gelijk. Neg ar i nequit, in dictis eorum (scriptorum s.) semina quaedam doctrinae ecclesiasticae vere inesse 2). Es ist unleugbar, dass auch dasjenige, was die Kirchenlehre über die göttliche Natur Christi lehrt, Stützpunkte im N. T. besitzt 3). Daarmede vervalt dan weer de verklaring van dit dogma uit latere, theologische of philosophische speculatie.

Evenals de studie der Schrift, zoo zet ook het dogmenhistorisch onderzoek altijd weer op de kerkelijke belijdenis van de Godheid van Christus het zegel der waarheid. De ontwikkeling van het christologisch dogma toont een logischen gang, die ten slotte door ieder onderzoeker opgemerkt en erkend wordt *). Eenvoudig was het geloof, waarmede de gemeente in de wereld optrad. Maar één ding wist zij, dat in Christus God zelf tot haar was gekomen en haar opgenomen had in zijne gemeenschap. Dat stond vast, dat liet zij zich niet ontnemen, dat heeft zij tegenover allerlei bestrijding verdedigd en in haar belijdenis klaar en duidelijk geformuleerd. In de leer van de Godheid van Christus heeft zij het absoluut karakter der Christelijke religie, de realiteit, harer gemeenschap met God gehandhaafd. In het Christendom bekleedt Christus eene gansch

>) mtzsch, Ev. Dogm. bl. 522. Schuitz, Die Gottheit Christi bl. 417 v. 438. 468.

2) Wegscheider, Dogm. § 128.

3) Nitz8ch> Ev. Dogm. bl. 518. 521. Zie ook Holtzmann, Neut. Theol. I. 353 418. Baldensperger, Der Prolog des vierten Evang. bl. 4 v. Joh. Weiss Paulus und Jesus 1909 bl. 5.

„ 4)^tr" Hartmann> Die Krisis des Christ. bl. 6. Id„ Das Christ. des Neuen Test. 1905 bl. VIII v.

Sluiten