Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aankomt, is de leer van alle evangelisten en apostelen. Jezus is n.1. vooreerst genealogisch een zoon van David; daarvoor werd Hij algemeen gehouden, door de schare, die Hem telkens omringde, en door al zijne discipelen, Mt. 1:1, 20, 9:27, 12:23, 15:22' 20: 30, 31, 21: 9, 15, 22 : 42—45, Mk. 10 : 47, 11:10, 12 : 35—37 Luk. 1: 27, 32, 89, 18 : 38, 39, 20 : 41—44, Joh. 7 : 42, Hd. 2 : 30, 13 : 23, Rom. 1: 3, 9 : 5, 2 Tim. 2 : 8, Hebr. 7 :14, Op. 3:7, 5 : 5,' 22 : 16. Voorts is Hij de Heilige, die nooit eenige zonde gedaan of gekend heeft, Mt. 7 :11, 11: 29, 12 : 50, Mk. 1: 24, Luk. 1: 35 Joh. 4 : 34, 6 : 38, 8 : 29, 46, 15 :10, 17 :4, Hd. 3 :14, 22 :14, Rom.' 5 :12v., 1 Cor. 15 : 45, 2 Oor. 5 : 21, Hebr. 4 :15, 7 : 26, 1 Petr. 1. 19, 2 : 21, 3:18, 1 Joh. 2:1, 3:5. En eindelijk is Hij, de uit Maria geborene, de Zone Gods in geheel eenigen zin, die niet eerst bij zijne komst in het vleesch begon te bestaan, maar die van eeuwigheid bij den Vader was, Joh. 1:1, 8:58, 17:5, Rom. 8:3, 2 Cor. 8:9, Gal. 4:4, Phil. 2:6, Col. 1:15, Hebr. 1:3. Opdat dit nu verkregen zou worden, dat de eeuwige Zoon van God tevens Zoon van David, mensch uit do menschen, ons in alles gelijk zou wezen, uitgenomen de zonde, daartoe was noodig, dat Hij op bovennatuurlijke wijze van den Heiligen Geest in Maria ontvangen werd. Het was de Zone Gods zelf, die op deze wijze zich eene menschelijke natuur bereidde in Maria's schoot ; Hij werd gezonden door den Vader, maar kwam tegelijk door zijn eigen wil en daad in de wereld, Joh. 3:13, 6:38. De bovennatuurlijke ontvangenis is daarom ook niet onverschillig en waardeloos ; ze staat met de Godheid van Christus, met zijn eeuwig voorbestaan, met zijne volstrekte zondeloosheid in het nauwste verband, en heeft daarom ook voor het geloof der gemeente eene groote beteekenis v).

Voordat dit breeder in het licht wordt gesteld, zij er even met een kort woord op gewezen, dat zulk een religieus belang niet gemoeid is met het theologoumenon, dat Maria in en na de geboorte maagd gebleven is. De virginiteit van Maria in partu en post partum wordt

Verg. behalve de reeds genoemde litteratuur ook nog: Nebe, Die Kindheits-

gesch. unseres Herrn Jesu Christi nacFi Matthaus und Lukas 1893. Zalm in zijn

omm. op Mattheus, Godet op Lukas. Nösgen, Die Geburtsgesch. Christi in

Lukas, Die Studierstube 1903. Steudel, Die Wahrheit von der Praexistenz Christi

in ihrer Bedeutung für chr. Glauben und Leben, Neue kirchl. Zeits. Dec. 1900

Joh Kreyher, Die jungfrauliche Geburt des Herrn. Gütersloh 1904. Grtitzmacher

s Jezus op bovennat. wijze geboren? Baarn 1909. A. Thraen, Conférences apoL et dogm. Paris 1900 bl. 51—161.

Sluiten