Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij de kerkvaders vóór Nicea nog niet aangetroffen; Tertullianus, Origenes en Irenaeus, kennen de virginitas in partu nog niet 1), en Tertullianns ontkent ook de virginitas post partum 2). De virginitas in partu komt het eerst voor in liet apocriefe Evang. Jacobi c. 19 en was ook als sommiger meening reeds aan Clemens Alex. bekend 8). Maar na Nicea werd de virginitas van Maria zoowel in partn als post partum in verband met bare G-ottesmutterschaft (iïeoToxog, deipara) steeds duidelijker geleerd, door Epiphanius, Hieronymus, G-regorius Nyss., Ephraim, Ambrosius, Angustinus enz., en tegen de Apollinaristen, Helvidius, Jovinianus, Bonosus verdedigd 4). Het vijfde oecumenisch concilie can. 6 nam den titel deincto titvoi van Epiphanius voor Maria over, en de Lateraansynode van 6-49 stelde in can. 3 hare virginiteit ook in en na de geboorte van Jezus vast5). Het semper virgo werd ook opgenomen in de Smalkaldische artikelen 6), maar Lutherschen en Gereformeerden leerden toch, dat de geboorte van Jezus op gewone wijze had plaats gehad en dat de virginitas van Maria, post partum, hoewel pieteitshalve aannemelijk, toch geen artikel des geloofs was en in geen geval door Maria bij wijze van gelofte op zich genomen was. Dat Maria Jezus gebaard heeft utero clauso, leert de Schrift met geen enkel woord. Dat zij door gelofte tot virginiteit zich verbonden heeft, is uit Gen. 3 :15, Jes. 7 : 14, Luk. 1: 34 en uit zoogenaamde typen, Richt. 6:36, 11:29, Dan. 2:34, Ezech. 44:2 niet af te leiden. Over de vraag, of Maria nog meer kinderen heeft gehad, zijn de meeningen tot den huidigen dag toe verdeeld. Lightfoot 7) verdeelde ze in drieën, en noemde ze naar Hieronymus, Epiphanius en Helvidius ; volgens het eerste gevoelen zijn onder de broeders van Jezus zonen van Clopas of Alphaeus te verstaan, die gehuwd was

1) Tertullianus, de carne Christi c. 23. Origenes, hom. 14 in Luc. Irenaeus, adv. haer. IV 66.

2) Tertullianus, de carne Christi c. 7. adv. Mare. IV 19.

3) Clemens Alexandrinus, Strom. VII c. 16. Verg. Loofs, Dogmengesch.4 bl. 170. 315.

4) Bellarminus, de sacr. euch. III c. 6. Petavius, de incarn. XIV c. 3 v. Lehna, Die Marienverehrung bl. 120 v.

6) Verg. Catech. Rom. I 4, 8.

6) Art. Smalc. I 4, en verder ook in de Form Conc. II 7, 100 en 8, 24, en bij

Zwinglij Expos. Chr. fid. 5.

>) In eene bijzondere verhandeling over de broeders des Heeren, in zijn Comm. on the Epistle to the Galatians, 10» ed. bl. 252-291. Lightfoot koos zelf voor het tweede gevoelen, dat van Epiphanius, partij.

Sluiten