Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met de zuster van Jezus' moeder, en hebben wij dus bij de broeders

van Jezus aan zijne neven te denken. Maar dit gevoelen schijnt

tegenover de sterke uitspraken der Schrift in Mt. 1:18, 25, 12: 46

47, 13 : 55, Mk. 3 : 21, 31, 6 : 3, 4, Luk. 2 : 7, 8 : 19,' Joh. 2 :12,'

7 . 3, 5, Hd. 1:14, 1 Cor. 9 : 5, G-al. 1:19 moeilijk vol te houden te

zijn. iSTaar het tweede gevoelen, dat van Epiphanius, zijn de broeders

van Jezus zonen van Jozef, die hem uit een vorig huwelijk geboren

waren, en dus oudere stiefbroeders van Jezus ; en volgens het derde

gevoelen, dat van Helvidius, zijn de broeders van Jezus na hem

uit het huwelijk van Jozef en Maria geboren. De quaestie is te

ingewikkeld, om hier behandeld te worden ; en is dogmatisch ook

van ondergeschikt belang. Maar opmerkelijk is, dat, terwijl de

Roomschen over het algemeen het gevoelen van Hieronymus volgen,

tal van Protestanten nog heden ten dage tot deze zelfde meening

geneigd zijn, of aan die van Epiphanius boven die van Helvidius de voorkeur geven ').

367. Geheel anders staat het met de bovennatuurlijke ontvangenis. Deze is voor den persoon van Christus van de hoogste beteekenis en daarom ook van religieus belang. De Schrift kent Jezus' ontvangenis toe aan den H. Geest of aan de kracht des Allerhoogsten. De H. Geest, die de auteur is van alle physisch, psychisch en preumatisch leven 2), wordt in Mt. 1:18, 20, blijkens de praep. & gedacht als de causa efficiens van die ontvangenis, terwijl deze in Luk. 1:35 toegeschreven wordt aan de kracht, die van God, den Allerhoogste, zal uitgaan en over Maria komen zal. Duidelijk blijkt hieruit, dat de werkzaamheid des H. Geestes bij deze ontvangenis met bestond in het instorten van eenige hemelsche, Goddelijke

') Calvijn op Luc. 1:34. Polanus, Synt. VI c. 17. Rivetus, Apol. pro S. Virgine ilana, Op. III 601-744. Chamier, Panstr. Cath. II 4 c. 3. Turretinus, Theol EI. XIII 10. MasMcht, Theol. V 10, 12. De Moor, Comm. III563. 716. Quenstedt, heol. III 401. Zahn, Forschungen zur Gesch. des neut. Kanons VI 328—363 Einl. in das N. T. I 73 y. II 74 v. (houdt de broeders van Jezus voor zonen van Jozef en Maria). Endemann, Zur Frage über die Brüder des Herrn, Neue kirchl. Zeits. 1900 bl. 833-862 (houdt hen voor zonen van Clopas). J. B. Mayor in Hastmgs D. B. I 320-326 (voor het gevoelen van Helvidius) C. Sarris, in astings Dict. of Christ, I 232—336 (voor dat van Epiphanius). Zöckler, art. Maria m PRE3 XII 309—336. Kuyper, De vleeschwording des Woords bl. 141 v. KöKlbrugge ontkende, dat Maria maagd was gebleven, Lonkhuyzen, H. F. Kohl brugge bl. 425.

2) Deel II 264.

Sluiten