Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nadruk, niet allleen bij Mattheus, 1:16, 20, maar ook bij Lukas, 1:27, 2:4. Al was Hij ook niet uit Jozef, Hij was toch door Maria, die aan Jozef verloofd was, burgerlijk en wettelijk de zoon van Jozef, Luk. 2 :27, 41, 48, en erfde van dezen de rechten op Davids troon. Daarom werd Jozef ook van Godswege vermaand om Maria als zijne wettige vrouw tot zich te nemen, op te treden als hoofd en vader des gezins, en als zoodanig aan het kindeke den naam Jezus te geven, Mt. 1 :18-21. Alzoo werd Christus Davids zoon en bleef Hij tegelijk Davids Heer.

Deze uitsluiting van den man bij zijne ontvangenis bewerkte tevens, dat Christus, als niet in het werkverbond begrepen, ook vrij bleef van erfschuld en daarom ook naar zijne menschelijke natuur vóór en na zijne geboorte van alle smet der zonde kon bewaard worden '). Als subject, als Ik, was Hij niet uit Adam, maar was Hij de Zoon des Vaders, die van eeuwigheid was verkoren tot Hoofd van een nieuw verbond. Niet Adam, maar God was zijn Vader. Als persoon kwam Hij niet uit de menschheid voort, maar kwam Hij zelf van buiten tot haar en ging in haar in. En wijl Hij alzoo naar Gods rechtvaardig oordeel van alle erfschuld vrijbleef, daarom kon Hij ontvangen worden van den H. Geest en door dien Geest van alle smet der zonde bevrijd blijven. De ontvangenis van den H. Geest was niet de diepste grond en laatste oorzaak van Jezus' zondeloosheid, gelijk velen beweren 2), maar zij was de eenige weg, waarin Hij, die als persoon reeds bestond en

' K'"enaardlg 1S het gevoelen van Kohlbrugge. Volgens hem bestond de ontvangenis van den H. Geest niet daarin, dat deze Maria vruchtbaar maakte of iets in haar heiligde, maar hierin, dat Hij zich met den geest van Maria vereenigde, zoodat zij de boodschap des engels gehoorzaam aannam, aan Gods wil zich volkomen onderwierp en door dit geloof zwanger werd en hare vrucht droeg tot de geboorte toe. Jezus werd dus door het geloof van Maria in haar schoot ontvangen en was dus »eine reine Frucht des Glaubens." Deze eigenaardige voorstelling hangt bij Kohlbrugge samen met zijne leer van het beeld Gods als een element, waarin Adam leefde, als een stand, waarin hij door God geplaatst werd; met zijne leer van de vleeschwording, welke bestond in het aannemen der zondige menschelijke natuur; en met zijne leer van de voldoening, wier zwaartepunt daarin gelegen was, dat Christus zich, in weerwil van alle verzoeking en bestrijding, door zijn geloof tot den einde toe handhaafde in den stand, dien Hij als Zone Gods innam, verg. Br. J. van Lonkhuyzen, H. F. Kohlbrugge 1905 bl. 423 v.

2) Rothe" Theo1- Ethik § 533 v. J. MüUer, Sünde II 535. Ebrarcl, Dogm. I

A 1 f\ ' 6

Sluiten