Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De loochening van de waarachtige en de volkomene menschelijke natuur komt altijd uit zeker dualisme voort. De auq'§, de materie is dan van nature zondig en kan geen bestanddeel zijn van den waren Christus; deze heeft daarom zijne substantie niet aan de zinnelijke, stoffelijke wereld ontleend, maar aan de onzienlijke, hemelsche wezenheid in God, in zichzelven, in de Goddelijke wijsheid, in den ongevallen Adam of de wedergeboren Maria. De verbinding tusschen dezen idealen Christus en den historischen Jezus kan dus ook slechts toevallig en mechanisch zijn; het komt tot geene ware eenheid, dat is dus ook tot geene waarachtige gemeenschap van God en mensch. God en wereld, schepping en herschepping, natuur en genade, het eeuwige en het tijdelijke, het hemelsche en het aardsche blijven eeuwig naast en tegenover elkander staan. Bij de Gnostieken en de Anabaptisten is dit alles duidelijk. Maar hoe vreemd het klinke, ditzelfde dualisme is ook eigen aan de nieuwere pantheïstische philosophie, welke zoo gaarne met den naam van monisme zich siert. Want immers, het is een axioma dezer wijsbegeerte, dat de idee zich niet ten volle in één individu uitstorten kan; dat is, er is geene eenheid, geene gemeenschap van God en mensch mogelijk. Om tot gemeenschap met God te komen, moet het individu zichzelf verliezen, zijne persoonlijkheid uitwisschen, wegzinken als een golf in den oceaan van het al. God en mensch, eeuwigheid en tijd, en met name heiligheid en eindigheid staan tegen elkander over; het eindige is in zijn aard gebrekkig, onvolmaakt; de zonde is noodzakelijk. Vandaar dat Hegel, St-rausz, Baur e. a. de zondeloosheid van Jezus niet kunnen vasthouden l) • een eindig individu kan niet volmaakt zijn en de volle gemeenschap met God genieten. Echter meent dit pantheïsme op eene andere wijze te kunnen vergoeden, wat het eerst heeft weggenomen. Het schrijft aan het geheel toe, wat het ontneemt aan de deelen; niet één enkel mensch, maar de menschheid is de ware Christus, de zoon van God, zij geniet de hoogste eenheid en gemeenschap met God, in haar neemt God de menschelijke natuur aan. Doch deze vergoeding is schijnbaar en geeft niets. Niet alleen bestaat de menschheid alleen in de individuën en is het al niet anders dan de som der deelen; maar het is ook niet waar, dat het al, dat de menschheid nader bij God staat dan de enkele men-

') bij Bomer, Entw. II 1115 v. Strausz, Chr. Gl. II 164. Leben Jesu

1835 II 716—718 Baur, Dreieinigkeit u. Menschw. III 963 y.

Geref. Dogmatiek III. oi

Sluiten