Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijne menschwording reeds een persoonlijk, Goddelijk bestaan had, 2 Cor. 8:9, Phil. 2:6, Col. 1:15—17, en Gods eigen Zoon was, Rom. 1:3, 8: 32, Cal. 4:4. De leer der twee naturen is iets geheel anders dan de leer van twee zijden aan of twee toestanden in het leven van Christus. Jezus draagt in de Schrift al die heerlijke praedicaten niet, omdat Hij eenerzijds als mensch zich volkomen aan God wijdde en alzoo waarachtig mensch was, en anderzijds als diezelfde mensch volkomen Gods liefde openbaarde '), maar omdat Hij werkelijk God en mensch in één persoon was. Een mensch, hoe hoog ook staande in religieuzen en ethischen zin, kan en mag toch, juist naar het strenge monotheïsme der H. Schrift, niet die Goddelijke praedicaten dragen, welke door haar aan Christus worden toegekend. Het blijkt dan ook overtuigend, dat zij, die de leer der twee naturen door die der twee zijden of die der twee toestanden vervangen, toch geenszins zóó van Christus kunnen en durven spreken, als de Schrift doet. De namen van God, Gods Zoon, Logos, Beeld Gods, eerstgeborene van alle creaturen enz. worden daarom alle van hun Schriftuurlijke beteekenis beroofd en in een gansch anderen zin opgevat, of ook geheel prijsgegeven 2). Als de moderne theologie in Jezus alleen eene menschelijke natuur aanneemt, kan zij Hem noch naar zijne religieuze zijde, als openbaring van Gods liefde, noch ook in den staat der verhooging, waarin Hij tot Heer geworden zou zijn, eeren met de namen, welke de Schrift Hem toekent. Hare ■exegese, stel dat ze juist ware, zou haar niet de minste winst geven voor haar eigen Christologie. Want deze is er niet meer, als Jezus alleen een mensch is, en niet ook de eeuwige en eenige Zoon van God3).

J) Schultz, Die Gottheit Christi bl. 338.

-) Enkele volgelingen van Ritschl beproefden nog wel, om voor Jezus de Godheid te handhaven. Maar wijl dit niet meer dan een ambtsnaam en eeretitel ^ as, kwam het aan anderen welhaast voor als een onwaar en onwaardig gebruik. Haring vmdt het gebruik nog wel sberechtigt", maar toch onnoodig en meer tot verdeeldheid dan tot eenheid leidende, Der Chr. Gl. bl. 426.

s) Prof. Bruining kent daarom aan Jezus nog wel eene zeer groote historische beteekenis toe, maar komt tegen eene moderne Christologie in verzet, Teylers Th. T. 1903 bl. 426—458. Christusbeschouwingen onder modernen bl. 3—41. En 2ij, die nog in een of anderen vorm zulk eene Christologie willen handhaven, maken het Christusbeeld geheel van den historischen Jezus los, en belichamen daarin hun godsdienstig, zedelijk en sociale ideaal (Sugenholtz, aldaar bl. 45—78), of besluiten uit den invloed, die alle eeuwen door van Jezus is uitgegaan op het godsdienstig-zedelijk leven zijner belijders, tot zijn historisch bestaan, en zien in zijn leven de openbaring van Gods liefde en kracht (A. W. van Wijk, aldaar

Sluiten