Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

370. Voorshands kan de theologie, indien zij waarlijk Schriftuurlijke en Christelijke theologie wil zijn, niet beter doen dan de leer der twee naturen te handhaven. Zij mag zichzelve daarbij diep doordringen van het gebrekkige, dat hare taal, bepaaldelijk ook in de leer van Christus, aankleeft. Maar alle andere pogingen, die dusver aangewend zijn, om het Christologisch dogma te formuleeien en nader tot ons bewustzijn te brengen, doen te kort aan den rijkdom der Schrift en aan de eere van Christus. En hiervoor heeft de theologie in de eerste plaats te waken. Welke bezwaren tegen de leer der twee naturen vroeger en later ook ingebracht zijn, zij heeft toch dit voor, dat zij geen gegevens der H. Schrift verwaarloost, den naam van Christus als den eenigen Middelaar Gods en der menschen handhaaft, en ten slotte ook nog de meest klare en heldere bevatting geeft van het mysterie der vleeschwording. Immers, deze vleeschwording staat niet geïsoleerd in de geschiedenis. Zij is wel van alle feiten wezenlijk onderscheiden en neemt eene geheel eenige plaats in, maar zij staat toch met alwat vóór en naast en na haar heeft plaats gehad in nauw verband. Zij heeft, gelijk ons vroeger bleek, tot voorbereiding en onderstelling de generatie, de creatie, de revelatie en de inspiratie. Ten slotte dient hier thans nog aan toegevoegd, dat zij ook in verband staat met het wezen der religie. Religie is gemeenschap met God; zonder haar kan een mensch geen waar, volkomen mensch wezen; het beeld Gods is geen donum superadditum, maar behoort tot zijne natuur. Die gemeenschap met God is eene unio mystica; zij gaat ons begrip verre te boven; zij' is eene allernauwste vereeniging met God door den H. Geest, eene unio personarum, een onverbrekelijk en eeuwig verbond van God en mensch, dat door de benaming ethisch veel te zwak omschreven, en daarom als mystisch aangeduid wordt; zij is zoo innig, dat zij den mensch naar Gods beeld verandert en hem de Goddelijke natuur deelachtig maakt, 2 Cor. 3 :18, Gal. 2 : 20, 2 Petr. 1: 4.

Lehre3 bl. 340. Bitschl, Rechtf. u. Vers.2 III 377 — 381. Schultz, Die Gottheit Christi bl. 277 v. Lipsius, Dogm. § 579. Loofs, art. Kenosis in PEE 3 X 246—263. Lobstein, Revue de théol. et de philos. Mars 1891 bl. 186 v. Id., Etudes Christol. Paris 1891. Chapuis, Revue de theol. et de philos. Sept. 1891 bl. 426 v. Bruce, The humiliation of Christ. Edinb. 1889. Gifford, The incarnation 1897. Bright, Waymarks in Church History 1894. Poicell, The principle of the incarnation. London 1896. Francis J. Hall, The kenotic theory. New-York 1898. Warfield, Presb. and Ref. Review. Oct. 1899 bl. 701—72o. Scholten, L. H. K. II 385 v.

Sluiten