Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke èn bij de triniteit èn bij de leer van Christus het grootste bezwaar ontmoet en daarom ook in beide leerstukken de oorzaak der meeste dwalingen is. Zoowel Nestorius als Eutyches konden deze onderscheiding niet laten gelden en concludeerden daarom uit de twee naturen tot twee personen of uit den eenen persoon tot ééne natuur 1). De Christelijke theologie werd echter bij de leer van God en van Christus tot deze gewichtige onderscheiding geleid. In God was er ééne natuur en drie personen; in Christus één persoon en twee naturen. De eenheid der drie personen in het Goddelijk wezen is in vollen zin naturalis, ffvvovffnoór^g, coessentialis; de eenheid der beide naturen in Christus is personalis. Deze onderscheiding is ook wijsgeerig gerechtvaardigd. Natuur en persoon verhouden zich niet, gelijk in Hegels philosophie, als wezen en verschijning, als potentia en actus, zoodat de natuur, in alle schepselen wezenlijk één, in den mensch door immanente kracht tot persoon zich ontwikkelt. Maar natuur is het substraat, het suppositum, datgene waardoor iets is wat het is, principium quo; en persoon is het subject, niet van eene natuur in het algemeen, maar van eene redelijke natuur, individua substantia rationalis naturae, principium quod. Persoon is het in en voor zichzelf zijnde, dat de eigenaar, bezitter en heer is van de natuur, een complementum existentiae, sustentans et terminans existentiam naturae, het subject, dat door de natuur met haar ganschen rijken inhoud leeft, denkt, wil, handelt enz., waardoor de natuur eene voor zichzelf bestaande wordt en geen accidens van een ander is a). Zoo nu is de menschelijke natuur in Christus met den persoon des Zoons vereenigd. De Zoon wordt niet eerst persoon in en door de menschelijke natuur, want Hij was dit van eeuwigheid; Hij had noch de schepping noch de vleeschwording van noode, om tot zichzelf te komen en persoonlijkheid, geest te worden. Maar wel

) Reeds Leontius van Byzantium toonde aan, dat N est orianen en Eutychianen van dezelfde onjuiste onderstellingen uitgingen, maar er tegenovergestelde gevolgtrekkingen uit afleidden, Bardenhewer, Patrologie 1894 bl. 507.

*) Schicane, D. G. II 369 v. Kleutgen, Theol. d. Vorzeit III 71 v. Schaezler, Das Dogma v. d. Menschw. Gottes bl. 3 v. In den nieuweren tijd is aan het begrip der persoonlijkheid veel studie gewijd, verg. bijv. Pfenningsdorf, Persönlichkeit. Schwerin 1907. A. Richter, Geschichtphilos. Untersuchungen über den Begriff der Persönlichkeit. Langensalza 1907 enz., maar deze studie heeft meer belang voor de ethiek dan voor de dogmatiek, meer voor de leer van den mensch dan voor die van Christus.

Sluiten