Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontving singulares, excellentissimas, maximas, supernaturales, impervestigabiles, ineffabiles atque coelestes praerogativas majestatis, gloriae, virtutis ac potentiao, welk© niet maar geschapen en eindige gaven zijn, doch Goddelijke en oneindige, zooals vivificare, omnipotentia, omniscientia, omnivolipraesentia x). Het is duidelijk, dat deze opvatting van de mededeeling der eigenschappen aan de mededeeling der gaven heel hare beteekenis ontneemt; waartoe zijn er nog gaven van noode, als Goddelijke eigenschappen worden medegedeeld! De Lnthersche Christologie spreekt nog wel van gaven 2), maar zij weet er eigenlijk geen weg mede 3), en heeft zelfs voor de zalving van Christus met den H. Geest geen plaats meer 4). Aan de andere zijde leeren de Roomschen wel eene mededeeling van gaven en bestrijden ook de Luthersche leer van de communicatio idiomatum, maar zij zeggen, dat de menschelijke natuur van Christus krachtens de unio hypostatica terstond in het eerste oogenblik harer ontvangenis uberrimam Spiritus Dei copiam atque omnem charismatum abundantiam accepit5). De vereeniging van de beide naturen in Christus is toch zoo innig, dat zij wederzijds elkander doordringen en op elkander inwerken. De communicatio idiomatum bestaat dus volstrekt niet alleen daarin, dat de eigenschappen van beide naturen aan een en hetzelfde subject als praedicaten kunnen worden toegekend \ ze is niet uitsluitend grammatisch en logisch van aard, maar ze is vera en realis; de concomitantia van beide naturen en van hare eigenschappen is intrinseca en substantialis, zoodat ze niet evenwijdig naast elkaar loopen, maar als het ware in elkander zijn. Dientengevolge wordt God in Christus vermenschelijkt, en omgekeerd de mensch in Christus ook vergoddelijkt. Wel worden de eigenschappen der Goddelijke natuur niet formaliter die der menschelijke, zooals volgens Rome de Lutherschen beweren, maar zij werken toch op de menschelijke natuur in, vloeien per redundantiam in haar over, voeren die menschelijke natuur tot hare hoogste hoogte op, rusten haar toe met de volheid van genade en waarheid, met alle geestelijke gaven en deugden, en maken haar alzoo de Goddelijke waardigheid, heerlijkheid en kracht deelachtig, en de Goddelijke aanbidding en vereering waar-

i) Symb. Bücher bl. 685, 686, 689, 691, 692.

*) Symb. Bücher bl. 686.

•) Dorner, Entw. II 914—916.

4) Schneckenburger, Zur kirchl. Christologie bl. 30.

5) Catech. Rom. I 4, 4.

Sluiten