Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dig 1). Beide, Luthersche en Roomsche Christologie, bergen hierdoor in zich een docetisch element; de zuiver menschelijke ontwikkeling van Christus komt hier'niet tot haar recht; uit reactie sloeg men in deze eeuw tot het andere uiterste over en miskende de Godheid des Heeren. De Gereformeerden echter hebben de mededeeling der gaven zoo verstaan, dat eene menschelijke ontwikkeling van Jezus daarbij mogelijk was. Ofschoon de tweede Adam, Christus was toch een ander dan Adam. Adam werd volwassen geschapen, kreeg tot woonplaats een paradijs, en was aan geen lijden en dood onderworpen. Christus werd echter in Maria ontvangen van den H. Geest en als een hulpeloos kindeke geboren; Hij werd niet geplaatst in een paradijs, maar kwam in eene wereld, die in het booze ligt; Hij stond bloot aan verzoeking van allen kant; Hij droeg eene natuur, die vatbaar was voor lijden en dood. Zijner was niet de menschelijke natuur van Adam vóór den val, maar God zond zijnen Zoon sv ouoioi/iati auoxoc auaonag, d. i. in zulk vleesch, dat in gestalte en verschijning aan de diiaoTiag gelijk was, Rom. 8:3.

Door deze schoone leer van de communicatio charismatum was de Gereformeerde theologie, beter dan eenige andere, in staat, om naast de Godheid ook de ware, echte menschheid in Christus te handhaven. Zij bewijst daartoe uitnemenden dienst. Maar onder de Gereformeerden was er nog verschil over, of de menschwording op zichzelve, afgezien van den toestand der zonde, in welken zij plaats had, reeds eene daad van vernedering was. Van de eene zijde kon men er zich op beroepen, dat de afstand tusschen God en mensch zoo groot is, dat het aannemen der menschelijke natuur zonder meer reeds vernederend is. Maar van den anderen kant kon men daartegen aanvoeren, dat Christus dan nu nog, terwijl Hij verheerlijkt is aan 's Vaders rechterhand, in den staat der vernedering zou verkeeren 2). De strijd laat zich gemakkelijk zoo beëindigen, dat de menschwording op zichzelve, zonder meer, steeds is en blijft eene daad van nederbuigende goedheid, maar niet in engeren zin een trap in den staat der vernedering is. Dit werd zij daardoor,

') Lombar dus, Sent. III 12—16. Thomas, S. Theol. III qu. 7—26. Petavius, de incarn. 1. IX XII. Theol. Wircéb. IV 233—295. Kleutgen, Theol. der Vorzeit III 193—333. Heinrich, Dogm. Theol. VII 689-775. Scheeben, Dogm. III 20 y. 157—261. Simar, Dogm. bl. 420—428. C. Pesch, Prael. IV 86—175. Jansen, Theol. dogm. II 640 v. Mannens, Theol. dogm. II 397—432.

-) Heraut n. 284, 285. Kuyper, De vleeschwording des Woords 1887 bl 38 v 180 y.

Geref. Dogmatiek III. OO

Sluiten