Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat ze eene vleeschvrording was, aanneming van eene zwakke, menschelijke natuur. Hierover was er toch geen strijd, dat Christus een zwakke, aan lijden en dood onderworpen, menschelijke natuur aannam, en dat dit eene daad van vernedering voor den Zone Q-ods was. De Schrift stelt dit immers boven allen twijfel vast, Jes. 53:2, 3, Joh. 1:14, 17 : 5, 1 Cor. 2 : 8, 2 Cor. 8 : 9, Phil. 2 :7, 8 enz. Zoodra wij ons echter rekenschap trachten te geven van wat in die zwakke menschelijke natuur ligt opgesloten, wordt de vraag moeilijker. Want zeer zeker had Jezus allerlei behoeften aan spijs, drank, rust, slaap enz., maar deze waren toch ook eigen aan Adam vóór den val. En omgekeerd valt het moeilijk te denken, dat Jezus naar zijne menschelijke natuur uit zichzelf voor ziekte, krankheid, dood vatbaar was; Hij had toch zelf de macht om het leven af te leggen, Joh. 10:17, maar was niet vanzelf, zonder zijn wil, aan den dood onderworpen. Van ouds waren hierover dan ook de mee-

ningen verdeeld.

Over Jezus1 uitwendige gedaante was reeds verschil; sommigen zooals Origenes, Chrysostomus, Hieronymus, Ambrosius, Augustinus e. a. schreven Hem eene schoone gestalte toe met beroep op Ps. 45: 3, anderen zooals Justinus, Clemens, Tertullianus, Basilius enz. dachten, dat Hij lichamelijk zonder gedaante of heerlijkheid was, Ps. 22:7, Jes. 53:2, 3; nog anderen hielden het midden tusschen deze beide voorstellingen of onthielden zich van een oordeel 1). En zoo stonden ook ten opzichte van de lijdens- en stervenvat-

i) yan een eigenlijk portret van Christus kan dan ook geene sprake zijn. In de eerste eeuwen werd geen gelijkenis van Hem gemaakt, maar werd Hij altijd onder symbolen, typen, monogrammen voorgesteld. De oudste afbeeldingen verschillen dan ook zeer in de gedaante, die zij aan Christus toeschrijven, maar zijn alle idealistisch. De ascetische richting, welke in de kerk opkwam, leidde er menigmaal wel toe, om aan Christus alle schoonheid te ontzeggen en Hem ook zoo af te beelden. Maar het idealisme behaalde toch de overwinning en beantwoordde ook zonder twijfel beter aan de H. Schrift, welke aan Jezus verschijning, aan zijne woorden en daden eene indrukwekkende majesteit toekent. \erg. M. Vitringa. Doctr. V 501. Walch, Bibl. theol. sel III 439. Memel, Symbolik 1855 I 177 v. Riehm, Handw. I 724. Nik. Muller, art. Christusbilder in PRE3 IV 63—82. E. von Dobschütz, Christusbilder, Unters. z. Christl. Legende. Leipzig Hinrichs 1909. G. A. Muller, Die leibliche Gestalt Jesu Christi nach den schriftl. und momumentalen Urtradition. Graz 1909. Höhne, Wandlungen des Christusbildes bei seiner Wanderung durch die Geschichte, Bew. d. Glaubens 1904 bl. 33 49. P. Dearmer, art. Christ in Hastings, Dict. of Christ I 308—316. J. Burns, The

Christ face in art. New-York 1907. Mrs. Senry Jenner, Christ in art. London Met-

thuen z. j. Schotel, Iets over de uitwendige gedaante van Jezus Christus. Bosch 1852.

Sluiten