Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■ook niet wankel en weifelend, maar vast en sterk; zij hielden Hem, die in ons het geloof werkt en voleindt, staande in de verzoeking en deden Hem voor de als loon op zijn arbeid Hem wachtende vreugde het kruis verdragen en de schande verachten, Hebr. 12 :2. Zoo was er dus eene toeneming in wijsheid en kennis bij Christus, gelijk de Schrift ook duidelijk leert, niet alleen in Luk. 2 :40, 52, maar ook overal, waar Jezus naar iets vraagt, onderzoek doet enz. Mk. 5:30, 6:38, 9:21, 11:13 enz.; het menschelijk bewustzijn in Hem, hoewel hetzelfde subject hebbende als het Goddelijk bewustzijn, kende dat subject, dat Ik, slechts zeer ten deele, wel ölov maar niet öXcog. Achter ons beperkt bewustzijn ligt in ons nog eene wereld van zijn; zoo lag achter het menschelijk bewustzijn van Christus nog de diepte Gods, die door dat menschelijk bewustzijn slechts allengs en altijd op beperkte wijze kon heenschijnen 1). Hieruit mag echter niet afgeleid, dat Jezus op verschillende tereinen dwalen kon. Wel wordt dit tegenwoordig in wijden kring geleerd, om aan Jezus' autoriteit in zake zijne beschouwing van de bezetenheid, zijne eschatologische voorspellingen, en vooral ook in betrekking tot het O. Test. te ontkomen. Maar men randt hiermede den Christus zeiven aan. Want wel is het waar, dat Jezus geen onderwijs gaf in eenige menschelijke wetenschap en daartoe ook niet op aarde gekomen is. Hij kwam, om ons den Vader te verklaren en zijn werk te volbrengen. Maar daartoe diende Hij dien Vader in zijne openbaring en werken ook te kennen, en dus ook te weten, of het O. Testament Gods Woord was, al dan niet. Dit was geen kennis van zuiver wetenschappelijken, maar van religieuzen aard, en voor het geloof der gemeente van het hoogste belang. Wie in dit opzicht aan Jezus dwaling toeschrijft, komt niet alleen met zijne Goddelijke natuur maar ook met zijn profetisch ambt in strijd en met al de getuigenissen, waarin Hij zijne leer aan den Vader toeschrijft, Joh. Y : 16, 8: 26, 28, 38, 12 : 49, 50 enz •).

Gomarus, Op. 1196. Voetius, Disp. II155 v. Turretinus, Theol. El. XIII12, 13. De Moor, Comm. III 804. M. Vitringa, Doctr. V 246. Seppe, Dogm. der ev. ref. Kirche bl. 315. Shecld, Dogm. Theol. II 281, 307, 329. Kuyper, De vleeschwording des Woords bl. 152. Id., Het werk van den H. Geest II 281 v. C. Lucassen, Der Glaube Jesu Christi, Neue kirchl. Zeite. 1895 bl. 337—347. A. Meyer, Der Glaube Jesu und der Glaube an Jesum, Neue kirchl. Zeits. 1900 bl. 621—644.

2) Verg- deel I 412 v. Voigt, Fundamentaldogm. bl. 527 v. Tholuck, Das Alte Test. im N. 4e Aufl. 1854. Caven, Presb. and Ref. Rev. July 1892. Sehivartzkopff, Konnte Jezus irren? Giessen 1896. Id., Die Irrthumslosigkeit Jesu Chr. und der

Sluiten