Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden. Daaruit werd afgeleid, dat de menschelijke natuur van Christus zelve, op zichzelve, in se, ook voorwerp van Goddelijke vereering Uargna) mocht en moest wezen; echter niet om zichzelve, per se en propter se, maar om hare hypostatische vereeniging met den Zone Gods. Daaraan werd dan verder toegevoegd, dat, al is de menschelijke natuur op zichzelve te aanbidden en dus objectum materiale der adoratio, zij dan toch altijd een objectum partiale en niet totale is; d. w. z. wie haar aanbidt, bidt met haar altijd Hem aan, die met die menschelijke natuur zich vereenigd heeft; en zoo werd het daardoor geoorloofd en mogelijk, om niet alleen de menschelijke natuur van Christus op zichzelve, maar zelfs een deel van haar, zooals b. v. het heilige hart van Jezus, tot voorwerp van aanbidding te maken; de aanbidding geldt toch dat hart niet alleen, maar geldt den ganschen Christus, die in dat hart zijne Goddelijke liefde wonen deed. En eindelijk zeiden vele theologen nog, dat de menschelijke natuur van Christus niet alleen op grond van hare hypostatische vereeniging met den Logos voorwerp van kaTQsicc, maar ook op grond van de vele haar zonder mate geschonken gaven voorwerp van öovXsia mocht zijn, en dan nader weer voorwerp van vnsQÓovksia, naar den hierarchischen regel: adoratio est diversa pro diversitate excellentiae, quae est ejus objectum formale J). Krachtens hunne leer van de mededeeling der Goddelijke eigenschappen aan de menschelijke natuur leerden ook de Lutherschen, dat de menschelijke natuur van Christus te aanbidden is 2). En eindelijk heeft bij de Hernhutters de mensch Christus bijna geheel de plaats van God ingenomen; Hij is niet de middelaar, maar de plaatsvervanger Gods en bijna het eenige voorwerp der Godsdienstige vereering 3).

Geheel in overeenstemming met hunne leer van Christus, zeiden daarentegen de Gereformeerden, dat de Middelaar wel voorwerp van aanbidding was, maar dat de grond voor die aanbidding gelegen was in zijne Goddelijke natuur. Toch was er onder hen nog eenig verschil van gevoelen. Allen waren het hierin eens, dat

Damascenus, de fide orthod. III c. 8. Lombardus en andere comm. op Sent.

III dist. 9. Thomas, S. Theol. III qu. 25. Bellarminus, de imag. sanct. II c. 12 v. Petavius, de incarn. XV c. 1—4. Theol. Wirceb. IY 330. Perrone, Prael. theol.

IV 274. Heinrich, Dogm. Theol. VII 656 v. Scheeben, Dogm. III51 v. Pesch, Prael. theol. IV 97 y. Simar, Dogm. 411.

*) Gerhard, Loei Theol. IV § 23. Quenstedt, Theol. Hl 190—208. V 353. Buddeus, Inst. Theol. bl. 771 v.

3) Plitt, Zinzendorfs Theol. III 20 v. Römheld, Theol. Sacrosancta 1888.

Sluiten