Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus ook als Middelaar aangebeden en vereerd moest worden, maar sommigen meenden, dat de grond voor die aanbidding alleen lag in de Godheid van Christus x); anderen oordeelden, dat het objectum formale niet alleen de Godheid, maar ook het Middelaarsschap van Christus was 2). Nu laat de Schrift er geen twijfel over, of Christus, evenals het voorwerp van ons geloof en vertrouwen, Joh. 14 :1, 17 : 3, Rom. 14 : 9, 2 Cor. 5 :15, Ef. 3 :12, 5 : 23, Col. 1: 27, 1 Tim. 1:1 enz., zoo ook het object van onze godsdienstige vereering en aanbidding mag zijn, Joh. 5 : 23, 14 :13, Hd. 7 : 59, 9 :13, 22 :16, Rom. 10 :12, 13, 1 Cor. 1: 2, 2 Cor. 12 : 8, Phil. 2 : 9, Hebr. 1: 6, Op. 5 :12, 12, 22 :17, 20 3). Maar toch kan de grond der aanbidding van Christus naar de Schrift aan niets anders dan aan zijne Godheid worden ontleend. Immers, het woord der Schrift staat vast: den Heere uwen God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. Dat is het gebod, hetwelk alle Heidensche en Roomsche creatuurvergoding in beginsel veroordeelt. Indien daarbij de koninklijke macht van Christus of ook zijn middelaarschap nog als grond voor religieuze aanbidding wordt aangevoerd, dan wordt dit gebod Gods verzwakt en geschonden. Als middelaar, koning, priester, profeet, is Christus niet absolute summus, maar Gode gesubordineerd; in die hoedanigheid heeft Hij eene andere heerlijkheid en eene andere macht, dan welke Hij als Zoon met den Vader en den Geest deelachtig is; in die qualiteit is Hij niet de causa efficiens, welke God alleen is, maar de causa instrumentalis onzer zaligheid. Ligt daarom de grond voor de aanbidding van den Middelaar, behalve in zijne Godheid, ook nog in zijn Middelaarschap, dan ligt de grond ook feitelijk in zijne menschelijke natuur, want als Middelaar is Christus zonder deze niet te denken; dan hebben Yader en Geest, die geen Middelaar zijn, één grond voor hunne aanbidding minder dan de Zoon en komt deze dus boven den Vader en

1) Voetius, Disp I 520v. II304 v. Maccovius, Coll. theol. 1369 v. Macc. Redivivus c. 91. Hoornbeek, Socin. confutatus I 36 v. Mastricht, Theol. V 2, 26 enz.

2) Amesius, de adoratione Christi. Walaeus, Loei Comm. Op. I 389. Trigland, Antapol. c. 46. Alting, Theol. problem. XII 20. Cloppenburg, Op. I 461. Bucanus, Inst. XXXV qu. 9. Turretinus, Theol. El. XIV qu. 18. Hottinger, Heidanus, Burman, Heideggev, De Moor, Comm. III 829. M. Vitringa, Doctr. V 247.

3) Loofs, in PRE 3 IV 21. Th. Zahn, Die Anbetung Jesu im Zeitalter der Apostel. Stuttgart 1885 (ook opgenomen in Skizzen aus dem Leben der alten Kirche 1898 bl. 271—308). W. Liitgert, Die Anbetung Jesu (Beitr. z. Förderung Christ. Theol. VIII 4) 1904. F. Barth, Die Aurufung Jesu in der Christi. Gemeinde. Gütersloh 1904

Sluiten