Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mitsgaders hare volheid. Maar God gaf toch de aarde aan den mensch en stelde hem tot heer over haar aan. En daarom kan de mensch Gode in symbolischen zin iets offeren, ten bewijze van zijn eerbied en afhankelijkheid. Indien de offerande van huis uit behoorde tot de religie des menschen, welke vóór en na den val niet in wezen verschillend kan zijn, dan verklaart zich ook gemakkelijk, dat er spoedig na den val van Kaïns en Abels ofterande wordt gesproken, zonder dat God opzettelijk den offercultus instelde.

Protestanten en Roomschen streden er vroeger over, of het ofter berustte op een positief gebod Gods dan wel op een innerlijken religieuzen drang van den mensch l). Maar indien het ofter reeds bestond vóór den val, is daarmede dit geschil ook opgelost. Wel echter heeft de zonde in de offerande groote wijziging gebracht, niet alleen zoo, dat aan de bestaande het zoenoffer mechanisch werd toegevoegd, maar bepaald ook in dien zin, dat de offerande zelve van karakter veranderde. De mensch, die gevallen is, vreest voor God en verbergt zich voor zijn aangezicht; hij leeft veel meer onder den indruk van zijn toorn, dan dat hij . een besef heeft van zijne goedheid; niet eerbied en dankbaarheid alleen, maar vooral ook vreeze en angst drijven hem tot het brengen van offeranden, evenals ook tot het doen van gebeden, uit. De verlossmgs-idee huwt zich dus met die der verzoening; en zoozeer gaan beide met elkander gepaard, dat tusschen de gewone offers en de zoenoffers geene scherpe grens te trekken is; aan alle offers wordt eene zekere verzoenende kracht toegekend 2). Het eigenlijk zoenoffer komt daarom, naarmate het schuldgevoel en het ellendebeset toenemen, meer en meer in het middelpunt van den eeredienst te staan. En wel worden de offeranden dan dikwerf door offermaaltijden gevolgd, waarbij de mensch als het ware de gast der Godheid is, met haar aan één disch aanzit, en zich uitermate verheugt3); maar die offermaaltijden zijn altijd op de voorafgaande offeranden gebouwd. Bij de zoenoffers kwam bij verdere ontwikkeling steeds meer het offeren van dieren in gebruik. Dat was het kostelijkste, wat de mensch van zijne bezittingen geven kon, want het bloed

1) M. Vitringa, Doctr. IV 275—280. Orelli, art.Opferkultus des Alt. Test. PRE1XIV 387 v. Hastings D. B. IV 330. De quaestie had practisch belang, wijl Roomsche, Luthersche en Anglicaansche ceremoniën gerechtvaardigd schenen te zijn, als de offeranden, door menschen ingesteld, toch Gode welgevallig waren.

2) W. B. Smith, Die Religion der Semiten bl. 305. 309.

3) W. R. Smith, t. a. p. bl. 196 v. 200 v.

Sluiten