Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Middelaar Gods en der menschen, in de volheid des tijds gebracht werd op de lioogte van Golgotha 1).

375. De wijziging, door de zonde in de offerande aangebracht, vertoonde zich eerst langzamerhand. Eerst heet het offer eenvoudig nrra, gave, Gen. 4:3; en de offeranden werden door de offeraars zeiven gebracht. Maar er waren toch van ouds reeds verschillende offers, bondsoffers, Gen. 15 : 9, brandoffers, 22 :13, plengoffers, 2S . 11, vredeoffers, 31:54. De offeranden bestonden in veldvruchten, 4:3, schapen, 4 : 4, vee en gevogelte, 8 : 20, 18 : 9, maar menschenoffers waren verboden, 22 :12. Toen offercultus en priesterschap reeds bij andere volken zich ontwikkeld hadden, werden deze ook voor Israël geregeld. Evenals het profetisch en koninklijk, zoo rust ook het priesterlijk ambt volgens de wet op verkiezing van Jhvh, Num. 16:7, Hebr. 5:4. De taak, aan de priesters opgedragen, is eene dubbele; zij moeten het volk Israels, mede door de urim en thummim, onderwijzen aangaande de rechten en wetten des Heeren, Ex. 28 : 30, Deut. 17 : 9, 33 : 8—10, Jer. 18 : 8, Ezech. 7 : 26, 44: 23, 24, Hagg, 2 :12, Mal. 2:7, en voorts met de offeranden des volks tot Jhvh naderen, Lev. 21:8, Num. 16: 5 enz., en dan van zijnentwege het volk zegenen, Lev. 9 :23, Num. 6 :23. De offers, die Israël brengen moest, waren verschillend. Het paascholier, Ex. 12, neemt eene zelfstandige plaats in, is zoen- en brandoffei, sacrificium en sacramentum tegelijk; het bondsoffer, Ex. 24:3 11, diende, evenals dat bij Abraham, Gen. 15:9, Jer. 34: 18v., tot bevestiging van het verbond; het bestond daarom uit brandoffers van varren, wier bloed ter bedekking der zonde en ter heiliging door Mozes als middelaar der verbonds deels op het altaar deels op het volk werd gesprengd, en werd daarna met dankoffers besloten; het brand- en dankoffer, Lev. 1, 3, diende, om de op den grondslag des verbonds rustende gemeenschap met God te onderhouden; het zond- en schuldoffer, Lev. 4—6, onderstelde, dat de gemeenschap met God door eene zwakheidszonde gestoord was en bood in de besprenging des bloeds van het geslachte offerdier bedekking der zonde en herstel der gemeeenschap met God. De

i) Verg. verder nog: Pfanner, Theol. gent. c. 15. Lasaulx, Die Sühnopfer der

Griechen und Römer u. ihr Verh. zu d. Einen auf Golg. Würzburg 1891. Nagels-

bach, Nachhom. Theol. 1857 bl. 315 v. Bahr, Symb. d. mos. Cultus II 217 v.

269 v. Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. d. Kath. Kirche 12 503 v. Gihr,

Das heilige Messopfer 6. Freiburg 1897 bl. 10 v. Scheeben, Dogm. III 387 v. enz.

Sluiten