Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verzoening kwam aldus tot stand: door de handoplegging droeg de offeraar zijne zonde op het dier over; wel wordt dit dikwerf ontkend, maar ten onrechte; handoplegging slnit in de Schrift altijd eenige overdracht in, van zegen, Gen. 48: 13, Mt. 19: 13, vloek, Lev. 24 :14, ambt, Num. 27 :18, Deut. 34 : 9, den H. Geest, Hd. 8 : 17 enz., en zoo bij de bloedige, ook de brand- en de dankoffers, Lev. 1:4, 3:2, van erkende en beleden zonde, Lev. 4:4, 15, 16:21, 2 Chr. 29:23; de offerande zelve heette of

dffiN. Daardoor was het offerdier nu des doods waardig. Doch wijl het niet alleen diende, om voor den offeraar de straf te ondergaan, maar juist om voor zijne zonde verzoening te doen, wordt het dooden van het dier altijd een slachten genoemd. Het was niet om den dood als dood te doen, maar om daardoor het bloed te verkrijgen, dat verzoening moest doen. God had juist dat bloed van het dier tot eene verzoening op het altaar gegeven; en wel omdat dat bloed de zetel der ziel, de zetel van een, na en door de slachting weer van zonde bevrijd, leven was, Lev. 17 :11. Als dit bloed nu op het altaar of op het verzoendeksel in Gods nabijheid kwam, dan werd daardoor de offeraar of zijne zonde voor het heilig aangezicht Gods bedekt; of liever, God zelf was het, Deut. 21 :8, Jer. 18:23, Mich. 7:19, en als zijn plaatsvervanger de priester, Lev. 5 : 13, 10 : 17, 15 :15, die door de als "eb, Avtqov, losprijs gedachte offerande de personen der offeraars van hunne zonden weg of ook die zonden zelve voor zijn aangezicht bedekte, Ibd met de praep. by of "isa 1).

Opmerking verdient het echter, dat de zoenoffers volstrekt niet alle maar slechts enkele, bepaalde, onopzettelijke zonden verzoenden ; op de zonden met opgeheven hand stond de uitroeiing uit het midden des volks, Num. 15: 30. Al werden de zonden door

x) De symbolische en de sacramenteele theorie, die vroeger wel ter verklaring der Oudtest. offers werden opgesteld, zijn weder in discrediet geraakt; en ook de eigenaardige opvatting van Ritschl, volgens welke de kofer diende, om den zwakken, sterfelijken mensch te bedekken en te beschermen tegen de verhevenheid Gods, vindt weinig voorstanders meer. Daarentegen wordt de oude voorstelling, dat het bloed van het geslachte offerdier eene bedekking, eene verzoening van de zonde van den offeraar was en dus als door een losgeld hem van de schuld loskocht, weder door velen als de juiste erkend. Verg. bijv. Holtzmann, Neut. Theol. I 67. 68 en anderen, door hem aangehaald, ook Köberle, Sünde u. Gnade im relig. Leben des Volkes Israël bis auf Christum. München 1905 bl. 306 v.

Sluiten