Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beteekenis had. En daarom komt er naar de profetie een ander verbond, dat niet verbroken maar door allen gehouden wordt, Jer. 31:31; een ander profeet, die in bijzondere mate met den Geest Gods gezalfd zal zijn en eene blijde boodschap brengen zal aan Israël en de Heidenen, Deut. 18:15, Jes. 11:2, Mal. 4:5; een andere priester, die niet naar de wijze van Aaron, maar naar de orde van Melchizedek zal aangesteld worden en daarom de priesterlijke en koninklijke waardigheid in zich vereenigen en beide eeuwiglijk dragen zal, Ps. 110, Jer. 30: 21, Zach. 6 :13; een andere koning, die nit Davids huis voortkomen en een Heerscher wezen zal in Israël, Mich. 5:1, 2. En zoo zal er ook eene andere, betere offerande komen. De offers van dieren zijn de ware niet, Ps. 40: 7, 50:8, 51:18, Am. 4:4, 5:21, Hos. 6:6, 8:11, Jes. 1:11, Jer.' 6.19, i : 21 ') enz.; de ware offeranden Gods zijn gehoorzaamheid, 1 Sam. 15:22, barmhartigheid, Hos. 6 :6, een gebroken geest, Ps. 51.19, het hooren naar Gods stem, Jer. 7 :23. En die offerande zal gebracht worden door den Knecht des Heeren, die Israels plaats innemen, zijn werk volbrengen, tot een verbond des volks en tot een licht der Heidenen wezen zal, Jes. 42:6, 49 :6, en voor de zonden zijns volks zijne ziel tot een schuldoffer zal stellen, Jes. 53:10.

In het O. T. loopen deze belofte van den lijdenden knecht des Heeren en die van den gezalfden koning ten deele nog parallel. Beide beloften wortelen in de vastheid van Gods verbond; God kan zijn verbond, in weerwil van Israels ontrouw en afval, niet vergeten; Hij kan het niet doen om zijns naams wil; het is een eeuwig verbond, dat van geen wankelen weet. En daarom krijgt Israël, hoe ook van wege zijne zonde tot ellende vervallen, toch weer een koning uit Davids huis. Die koning zal zyn van nederige geboorte, Jes. 11:1, 2, Mich. 5:1, 2, Ezech. 17: 22, Hij zal niet alleen koning maar ook priester wezen, Jer. 30 : 21, Zach. 3 : 1, 6:13, Ps. 110, de gerechtigheid voor zijn volk aanbrengen, Jer. 23 : 6, de offers overbodig, Jes. 60 : 21, Jer. 24 : 7, 31: 35, Ezech. 36 : 25, 27, en allen tot priesters maken, Jes. 61: 6. Daarnaast loopt nu de andere

) de profeten daarmede niet alle offers veroordeelden, blijkt duidelijk uit plaatsen als Am. 3:4, 9 :1 v., Jes. 19 :21, Jer. 13 :18, 17 : 26, cf. F. J. Krop, Theol. Stud. 1906 bl. 172 v., en de teksten Am. 5 :25, Jer. 7 : 21, 22 kunnen in elk geval voor deze bewering geen dienst doen. Verg. E. König, Der Jeremiasspruch Jer. 7 :21—23 nach seinen Sinn, seiner kulturgesch. Stellung u. seinem geistesgesch. Anlass untersucht, Theol. Stud. u. Krit. 1 April 1906 bl. 327—393.

Sluiten