Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belofte, dat deze gerechtigheid voor Israël alleen in den weg van lijden verworven zal worden. De offercultus symboliseerde de noodzakelijkheid der zoenofferande; de historie toonde het m zoo menig voorbeeld, in Mozes, David, Job, de profeten en in de kleine schare van getrouwen, die de knie voor Baal niet bogen, dat de besten het meest lijden, dat zij, die de zake Gods voorstaan en m zoover rechtvaardig zijn, door lijden tot heerlijkheid moeten ingaan; en in de ballingschap en daarna als gemeente werd Israël de knecht des Heeren, die, in nood en ellende verkeerende en van alle zijden benauwd, toch door den Heilige Israels verlost worden zou, Jes. 41: 8v. Doch ook Israël is de ware knecht des Heeren niet; het heeft zelf verlossing van noode, Jes. 41:14, 42:19v.; waar kon de profeet ook in het verleden of heden een collectief of individueel persoon, een profeet, een martelaar vinden, die zoo wonderbaar door Jhvh was toegerust, die zoo onwankelbaar trouw bleef, die in de verkondiging der waarheid aan de Heidenen het zwaai ste lijden en den schandelijksten dood onderging? De moderne exegese doet vergeefs moeite, om in de enkele vromen onder Israël, m de profeten, in Jeremia, Jerubbabel, Jojachin of een ander lijder de figuur voor Jesaja's schilderij van den knecht des Heeren te vinden, en levert daarvoor zelve het bewijs, als ze de Ebed-Jhvh liederen aan verschillende schrijvers toekent, of ook de figuur van den knecht des Heeren uit Oostersche voorstellingen verklaart. Maaide knecht des Heeren ontvangt juist eene boodschap tot de Heidenen, en Israël zelf met al zijne vromen en profeten stelt zich in Jes. 53 tegenover dien knecht des Heeren, erkent dat het Hem om zijn lijden veracht heeft en belijdt, dat Hij juist om hunne overtredingen verwond en om hunne ongerechtigheden verbiijzeld is. Al wordt het niet rechtstreeks gezegd, de knecht des Heeren kan geen ander dan de Messias zijn, die immers ook priester wezen en de gerechtigheid voor zijn volk aanbrengen zal »). Doch het

i) Delitzsch op Jes. 42 v. Orelli, art. Messias in PRE 3 XII 723-739. G. FullJ'w9' Der Gottesknecht des DeuteroJesaja. Göttingen 1899. Bwdde, Die sogen. ie Jahwe - Lieder und die Bedeutung des Knechtes Jahwe's m Jes. 40—55. Giessen 1900. Sellin, Der Knecht Gottes bei DeuteroJesaja. Leipzig Deichert 1901. ld., Das Ratsel des DeuteroJesaia. Leipzig 1908. Oiesebrecht, Der Knecht Jahves des DeuteroJesaia. Königsberg 1902. Grmmann, Der Ursprung der■ israel-] ud. Eschatologie. Göttingen 1905. Verg. ook A. v. d. Fher, Dneerlei verklanng van

den EbedJahwe bei Deuterojesaja, Theol. Stud. 1904 bl. 34o ( espree-

de gevoelens van Füllkrug, Sellin en Giesebrecht).

Sluiten