Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de ontkoming aan het oordeel, Hebr. 10:27, 28; en eindelijk de opstanding ten jongsten dage, Joh. 11: 25,1 Cor. 15 : 21, de hemelvaart, Ef. 2:6, de verheerlijking, Joh. 17 : 24, de hemelsche erfenis, Joh. 14:1, 1 Petr. 1: 4, het eeuwige leven, hier reeds aanvangende met het geloof, Joh. 3 :15, 36, en eens zich ten volle openbarend in heerlijkheid, Mk. 10: 30, Rom. 6 : 22, de nieuwe hemel en aarde, 2 Petr. 3:13, Op. 21:1, 5, en de wederoprichting aller dingen, Hd. 3:21, 1 Cor. 15:24—28.

377. De geschiedenis der leer van Christus' werk vertoont een ander karakter dan die van het dogma der triniteit en van Christus' persoon. Er is geen bepaalde strijd over gevoerd, die tot eene scherpe en klare formuleering geleid heeft. De Schrift was in de beschrijving van dat werk ook zoo veelzijdig ; en in de geschiedenis der theologie kwamen allerlei voorstellingen van het werk van Christus op, die een kern van waarheid bevatten. De apostolische vaders sluiten zich aan bij het spraakgebruik der H. Schrift, en zeggen alleen, dat Christus uit liefde voor ons geleden en zich opgeofferd heeft*). Spoedig echter trachtte men zich van het werk van Christus eenige meerdere rekenschap te geven. En dan komen terstond verschillende voorstellingen naast elkander voor ; van den beginne af werd Christus niet alleen beschouwd als profeet, maar ook als koning en priester 2). Soms worden deze drie ambten ook uitdrukkelijk naast elkander genoemd; Eusebius spreekt van Christus als uovov d^sqsa xoöv olmv xcei fiovov trfi xziaswg paffdea xat fiovov

nQoiprjTwv dQXinQoyrjrrjv zov narooc,3), en verwante uitspraken komen ook voor bij Lactantius, G-regorius Nyss., Augustinus en anderen 4). Dat neemt niet weg, dat de eene of andere voorstelling soms een-

1) Barnabas, Ep. 7. Ignatius, ad. Eph. 1. Polycarpus, ad. Phil. 1. Ep. ad. Diognetum 9. Verg. G. Wustmann, Die Heilsbedeutung Christi bei den apost.

Vatern. Gutersloh 1905.

2) In een noot bij zijn artikel: Zum Verstandnis des Keiches Gottes, in Die Studierstude 1905 bl. 661 zegt J. Boehmer, dat Philo in zijn Vita Mosis dezen reeds aanduidt als hoogepriester, profeet, koning en wetgever, dat Josephus, Ant XIII 299. Bell. Jud. I 68 v. zijn held Hyrkanus meermalen als koning, hoogepriester en profeet prijst, en dat het Testament van Levi c. 8 en 18 van den toekomstigen Messias getuigt, dat Hij tegelijk koning, priester en profeet zal zijn.

3) Eusebius, Hist. eccl. I 3. ,

<) Augustinus, de civ. Dei X 6. Verg. verder Krauss, Ueber das Mittlerwerk

nach dem Schema des munus triplex, Jahrb. f. deutsche Theol. 1872 bl. bon. Karl Muller, Jesu dreifaches Amt, PRE 3 VIII 733-741.

Sluiten