Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijdig op den voorgrond treedt. De nadruk valt er dan op, dat Christus de Logos is, die op aarde verscheen, om den menschen de volle waarheid te openbaren en hun een voorbeeld te geven van deugd 1). Of ook wordt de zonde meer als macht dan als schuld gevoeld en dienovereenkomstig het werk van Christus meer opgevat als verlossing dan als verzoening; God is mensch geworden, opdat Hij de menschen van de zinnelijkheid, sterfelijkheid en daemonenheerschappij verlossen en hen Gode gelijk, het eeuwige leven en de onsterfelijkheid deelachtig maken zou2). Eene andere, bekende en in weerwil van de tegenspraak van Gregorius Naz. 3), door velen gehuldigde voorstelling was, dat Christus zich in zijn dood tot een losgeld, lokspijs of valstrik aan Satan had overgegeven en, Job 40: 19, dezen alzoo door list overwonnen en de menschen uit zijne heerschappij verlost had 4). En eindelijk komt ook van den beginne af reeds de gedachte voor, dat Christus zich in zijn lijden en sterven voor ons en in onze plaats Gode geofferd heeft, om de verzoening, de vergeving, de heiligmaking en de gansche zaligheid te verwerven. Zeer schoon vinden we deze gedachte reeds in den brief aan Diognetus 5). Volgens Justinus Martyr is Christus niet alleen mensch geworden, om zich ons lijden deelachtig te maken en genezing te brengen, om aan de ongehoorzaamheid, die in de wereld gekomen was, een einde te maken, om de macht van Satan en van den dood te overwinnen; maar zijn dood is ook een offer voor alle zondaren, die zich willen bekeeren, het pascha, dat voor allen geslacht is, de oorzaak van de vergeving der zonden 6). Veel duidelijker zegt Irenaeus, dat Christus, die door zijne menschwording met ons in gemeenschap staat en in heel onzen toestand is ingegaan 7), door zijn lijden en dood ons Gode verzoend 8), ons in de gunst van God,

'y Justinus, Apol. I 10. Irenaeus, adv. haer. V 1. Tertullianus, de orat. 4. Clemens Alex., Strom. Y 12. Origenes, de princ. III 5, 6. c. Cels. I 67. 68.

-) Irenaeus, adv. haer. III 16, 6. 20, 2. IV 2. V 1. Athanasius, de incarn. 7. Gregorius Nyss., catech. magna 17—26 enz.

*) Gregorius Naz., Orat. 42. 48.

4) Origenes op Mt. 20: 28. Gregorius Nyss., Orat. 22—26. Joli. Damascenus, de fide orthod. III 1. 27 enz. Verg. Joseph Wirtz, Die Lehre von der Apolytrosis. Untersucht nach den H. Schriften und den griech. Schriftstellern bis auf Origenes einschliesslich. Trier 1906.

5) Ep. ad Diogn. c. 9. Verg. ook Clemens Hom., I ad Cor. 7. Barnabas, Ep. c. 5. 6. 7.

6) Justinus, Dial. c. 40. 111. Verg. Semisch, Justin der Martyrer II 416v.

>) Irenaeus, adv. haer. V praef. III 18, 7. V 16, 2.

8) Irenaeus, t. a. p. III 16, 9.

Geref. Dogmatiek III. 24

Sluiten