Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

andere zijde, loochende de oneindigheid der schuld en de oneindigheid van Christus' verdienste, ontkende, dat Christus1 offer in zichzel genoegzaam was, leerde, dat het door God voldoende was gerekend, en herleidde menschwording en voldoening tot zuivere willekeur, tot het dominium absolutum in God »); maar ook Thomas achtte ze niet volstrekt noodzakelijk en noemde ze convemens ). Voorts legde een enkele, n.1. Abaelard, er eenzijdig den nadruk op, dat Christus' menschwording en lijden niet eene openbaring van o s gerechtigheid, maar alleen van zijne genade en liefde was; dat Christus van het begin tot het einde zijns levens ons door zijn

woord en voorbeeld geleerd had en daardoor eene liefde m ons

wekt, welke van de zonde bevrijdt en ons tot Gods m eren maakt, en dat hierin de verlossende en verzoenende kracht van

Christus' persoon en werk gelegen is s).

Verschillende elementen in de voorstelling van Anselmus zijn later door allen verworpen, zooals heel het privaatrechtelijk karakter, dat hij aan de voldoening geeft, de opvatting van de zonde als beleediging en van de voldoening als eereherstel, de eenzijdige nadruk, dien hij op Christus' dood legt met miskenning van zqn leven, de tegenstelling, die hij maakt tusschen poena en satisiacto de mechanische verbinding, die hij aanneemt tusschen satisfactio en meritum, tusschen Christus' verdienste en de reden, waarom zi der menschheid ten goede komt. Maar dat neemt niet weg, dat de leer van Anselmus toch in haar wezenlijke bestanddeelen, a voldoening voor de zondenschuld aan Gods gerechtighei , om daardoor voor ons de gerechtigheid en het leven te verwerven, in de latere theologie eene blijvende beteekenis heeft verkrege . De verlossing, door Christus aangebracht, is door Anselmus e eerst en het duidelijkst opgevat als eene bevrijding, niet in ae eerste plaats van de gevolgen der zonde, van den doo en ™n macht van Satan, maar vóór alle dingen van de zon e ze hare schuld; de verlossing van Christus bestond ^omame^ de verzoening van God en mensch. Toch is dit in de scholastieke en Roomsche theologie veel minder tot zijn recht gekomen dan de Protestantsche. Thomas beperkt de voldoenmg me m

1) Verg. deel II 237. , o en ZOo ook anderen,

2) Thomas, S. Theol. III qu. 1 art. 1. 2. qu. 4b art. 1 3,

bij Loofs t. a. p. bl. 513.

3) Loofs, Dogmengesch. bl. 514v.

Sluiten