Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mus hoofdzakelijk tot den dood, maar breidt haar uit tot heel het lijden en de gansche gehoorzaamheid van Christus 1), ook verklaart hij de overdracht van Christus' verdienste op de zijnen beter dan Anselmus daaruit, dat Christus het hoofd en de gemeente zijn lichaam is 2), maar hij brengt het in de beschouwing van Christus' lijden toch tot geen eenheid, vat het achtereenvolgens op als meritum, satisfactio, sacrificium, redemptio 3), en noemt dan als zijne vruchten de liberatio a peccato, a potestate diaboli, a poena peccati, reconciliatio, aditus paradisi 4). De verzoening staat hier nog niet op den voorgrond en zij komt ook eerst ten volle daardoor tot stand, dat Christus als eene forma virtutis et humilitatis ons tot navolging wekt, door zijne liefde en genade tot liefde ons beweegt en in het geloof van de zonde ons bevrijdt; objectieve en subjectieve zijde der verzoening, evenals ook vergeving en vernieuwing worden niet genoegzaam uit elkander gehouden 5). Vele Roomsche theologen, sluiten zich ook later hierbij aan 6), maar anderen stellen toch heel het werk van Christus onder het begrip redemptio, of satisfactio (en meritum), of behandelen het ook in het schema der drie ambten 7).

De Reformatie had oorspronkelijk over het werk van Christus geene andere leer dan Rome, en verdedigde de voldoening van Christus met hand en tand tegen de Sociniaansche bestrijding. Toch stelde ze haar krachtens haar beginsel onder een nieuw gezichtspunt en in een ander verband. Wijl zij de zonde allereerst als schuld had leeren kennen, kwam in het werk van Christus de verzoening op den voorgrond te staan. De zonde was van dien aard, dat ze God vertoornde; om dien toorn te stillen, om aan Q-ods gerechtigheid te voldoen, daartoe was in de eerste plaats de voldoening door den Grodmensch noodzakelijk. Deze bracht haar

') Thomas, S. Theol. III qu. 46.

2) Thomas, t. a. p. qu. 8.

3) Thomas, t. a. p. qu. 48.

4) Thomas, t. a. p. qu. 49.

5) Thomas, t. a. p. qu. 48 art. 1. 49 art. 1, en voorts Lombardus, e. a. op Sent. III dist. 18. 19. Bonaventura, Brevil. IV 7. 9.

6) Bijv. Petavius, de incarn. XII. XIII. Theol. Wirceb., IV 295v. Deharbe, Ver" klaring der Kath. geloofs- en zedeleer. Utrecht 1888 II 267v.

7) Verg. behalve de reeds boven deze paragraaf genoemde litt. nog Catech. Rom. I c. 3 qu. 7. Perrone, Prael. theol. IV 1839 bl. 309. LiƩbermann, Inst. theol.8 II 264. Dieringer, Kath. Dogm.4 bl. 465 enz.

Sluiten