Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daardoor aan, dat Hij zich als Borg des Verbonds in onze plaats stelde, de volle schuld en straf der zonde op zich. nam, en aan den ganschen eisch der wet Gods zich onderwierp. Het werk van Christus bestaat dus niet zoozeer in zijne humilitas, noch ook alleen in zijn dood, maar in zijne gansche, zoowel actieve als passieve gehoorzaamheid. En Hij volbracht dit werk in zijn drievoudig ambtr niet alleen als profeet door ons te leeren en een voorbeeld te geven en tot liefde ons op te wekken, maar ook als priester en koning. Calvijn sprak van dit drievoudig ambt reeds in den Oatech. Genev.r behandelde daarna het werk van Christus onder deze drie ambten in de editie der Institutie van 1539 en werd daarin allengs door vele Geref., Luth. en Roomsche theologen nagevolgd. De objectieve en de subjectieve zijde der verzoening zijn daarom duidelijk onderscheiden. Christus heeft alles volbracht. Alle weldaden liggen objectief in zijn persoon besloten. Wijl Christus door zijne offerande aan Gods gerechtigheid heeft voldaan, heeft Hij objectief de verhouding van God en mensch en daardoor ook alle andere verhoudingen des menschen tot zonde, dood, Satan, wereld veranderd. De eerste weldaad is dus de vergeving der zonden, en tengevolge daarvan ook de bevrijding van smei, dood, wet, Satan. Christus is de eenige Middelaar Gods en der menschen, de algenoegzame Zaligmaker, de hoogste profeet, de eenige priester, de waarachtige koning 2).

378. Het werk van Christus werd echter, evenals zijn persoon, door anderen geheel anders verstaan. De Ebionieten zagen in Christus slechts een profeet, die door zijn leer en voorbeeld den mensch kracht geeft tot den strijd tegen de zonde. Voor de Gnostieken was Christus een aeon van Goddelijke wijsheid, die in eene schijnbaar menschelijke gedaante op aarde verschenen was, om door verlichting en kennis de menschen uit de banden der matei ie te bevrijden en hen tot nvsvfiarixoi te maken. Tegenover dit speculatief rationalisme handhaafden de Montanisten het bovennatuurlijk, transcendent karakter des Christendoms, niet alleen in den persoon van Christus, maar ook in de door den H. Geest zich

*) Calvijn, Inst. II 15—17.

2) Verg. de boven reeds aangehaalde werken en voorts nog Twrretinus, de satisfactione Christi 1691. Owen, verschillende verhandelingen in deel X van zijne Works, Edinburgh Olark 1862. Mastricht, Theol. V c. 5 v.

Sluiten