Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus op als een voorbeeld van zijn geestelijk middelaarschap, waardoor Hij den ouden mensch in ons doodt en den nieuwen doet opstaan ; de verlossing geschiedt in ons; eene objectieve verzoening is niet noodig, want er is geen toorn in God x). Volgens Zinzendorf is Christus de Schepper en Onderhouder aller dingen, de Jehova des O. T., die daarin vooral Gods liefde heeft geopenbaard, dat Hij zoo klein, zoo arm en zoo nederig is geworden en zooveel heeft geleden; zijn lijden is niet zoozeer straf en voldoening aan God, als wel vrijwillig en liefderijk martelaarschap; zijn bloed en zijn dood zijn daardoor de bron van het leven der menschheid; de martelaarswonden van Christus' zijde zijn de matrix van het menschelijk geslacht, de oorsprong van den Geest, die van Christus in allen zich uitstort2). Swedenborg hield het geloof, dat het lijden aan het kruis de verlossing was, voor eene gronddwaling, die met de leer der triniteit de kerk te gronde had gericht. Het lijden aan het kruis was niet de verlossing, maar was voor Jezus de laatste verzoeking en, wijl Hij staande bleef, het middel zijner verheerlijking , toen werd het menschelijke in Hem met het Goddelijke zijns Vaders vereenigd, toen werd God waarlijk mensch, kon Hij de vijandige zinnelijke machten der hel naderen en ze overwinnen ; de verlossing is eene voortgaande, door God als mensch teweeggebrachte onderwerping der hel en ordening des hemels 8).

Maar niet alleen van mystieke, ook van rationalistische zijde kwam er bestrijding van de kerkelijke leer over het werk van Christus. Hiertoe kan gerekend worden de leer van Stancarus, dat Christus alleen naar zijne menschelijke natuur onze middelaar en onze gerechtigheid is 4), en ook de ontkenning der obedientia activa door Karg (Parsimonius), en door Joh. Piscator, die zijne denkbeelden het eerst uiteenzette in een brief ten jare 160-1 6). Karg nam in 1570 zijn gevoelen terug, doch Piscator vond steun bij Martinius, Crocius, Pierius, Pareus, Wendelinus, H. Alting e. a., en oefende later door Camero, Placaeus, Cappellus enz. een schadelijken invloed op de Geref. theologie. Maar de ernstigste en degelijkste bestrijding

*) M. Vitringa, t. a. p. 56. Dorner, Entw. II 924.

2) PUtt, Zinzendorfs Theol. I 291 II 194 v. Schneckenburger, Vorles. ├╝ber die Lebrbegriffe der klein, protest. Kirchenparteien bl. 195 v.

3) Swedenborg, Die wahre Ohristl. Religion2 1873 bl. 169 205.

4) Art. Stancarus in PEE3 XVIII 752 v.

5) Deze brief werd opgenomen in de Epist. praest virorum bl. 156. Verg. ook zijne Theses Theol. XV 18. 19.

Sluiten