Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de satisfactio vicaria kwam van den kant der Socinianen. Wel noemen zij Christus nog profeet, priester en koning x), maar feitelijk maken zij het priesterlijk ambt tot een aanhangsel van het koninklijk ambt. Toen Christus op aarde was, was Hij alleen profeet, die vóór het begin van zijn openbaar optreden door God in den hemel was opgenomen (raptus in coelum, Joh. 3 :13, 31, 6 : 36, 62, 8: 28, 10: 28 2), daar door God zelf met de waarheid was bekend gemaakt, en alzoo in staat was, om de wet te volmaken met nieuwe geboden, en aan de onderhouders dier geboden het eeuwige leven, en de heiligende kracht des Geestes te beloven 3). Deze zijne leer heeft Christus bevestigd door zijn zondeloos leven, door zijne wonderen en vooral door zijn dood en zijne opstanding 4). Zijn dood was noodig, om zijne volgelingen in hunne vroomheid en heiligen wandel ten einde toe te doen volharden, en om Gods liefde tot ons klaar en duidelijk te bevestigen 6), en zijne opstanding strekte, om ons aan zijn voorbeeld te doen zien, dat zij, die Gode gehoorzaam zijn, van allen dood worden bevrijd, en om aan Christus zelf de macht te schenken tot het geven van het eeuwige leven aan allen, die Hem gehoorzamen 6). De dood van Christus had hier dus eene geheel andere beteekenis dan in de leer der kerk; hij vormde geen zelfstandig moment in het werk van Christus, maar diende alleen, eenerzijds om zijne leer te bevestigen en anderzijds om Hem te doen komen tot de opstanding, welke Hem eerst tot Koning en Heer in den hemel maakte 7). En ook dit is Hij eigenlijk eerst geworden door zijne hemelvaart. De opstanding behoort nog tot den staat der vernedering, want ook daarna had Hij nog een sterfelijk lichaam 8). Maar bij de hemelvaart kreeg Hij een verheerlijkt lichaam, en werd Hij verheven tot Koning, Heer en God. Als zoodanig ontving Hij van God de macht, om hun, die zijn voorbeeld volgen, in allen nood te ondersteunen en hen ten laatste met de onsterfelijkheid te beloonen. Dat Hij dit doen kan, is zijn koninklijk; dat Hij dit doen wil, is zijn

*) Catech. Racov. qu. 101.

2) Ib., qu. 195.

3) Ib., qu. 209 v. qu. 352. qu. 361.

4) Ib., qu. 374.

6) Ib., qu. 380. 383.

6) Ib., qu. 384.

») Ib., qu. 386.

s) Ib., qu. 465.

Sluiten