Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Evangelie aan allen de vergeving der zonden aanbieden, opdat elk, die gelooft, zalig worde; maar Christus verwierf niet de werkelijke zaligheid voor de zijnen, doch slechts de mogelijkheid, om zalig te worden, voor allen; of iemand werkelijk zalig wordt, hangt van hemzelven af1). Ook Hugo de Groot wendde eene poging aan tot rechtvaardiging van de leer der voldoening 2). Hij leidde ze daartoe af, niet uit den wil Gods noch ook uit zijne straffende gerechtigheid, maar uit de justitia Dei rectoria, d. i. uit de noodzakelijkheid voor God, om in de wereld orde en wet, recht en gerechtigheid te handhaven en rekening te houden met het bonum commune. Door die rechtsorde echter op te vatten als eene wereldorde, welke buiten God stond, maakte Hij Gods gerechtigheid daaraan dienstbaar en ondergeschikt; veranderde hij de voldoening van Christus in een onverdiend lijden, in een strafexempel ter afschrikking van anderen, in een maatregel van regentenwijsheid; en liet hij onverklaard, hoe Christus daarvoor God moest wezen, en hoe God een onschuldige alzoo kon doen lijden en zijn lijden als voldoening voor anderen aanmerken kon.

Toch hoeveel bedenkingen de Sociniaansche en Remonstrantsche leer uitlokken kon, zij kreeg gaandeweg de overhand. De supranaturalisten, zooals Michaelis, Storr, Morus, Knapp, Steudel, Reinhard, Muntinghe, Yinke, Egeling enz., ofschoon soms nog meenende, de kerkelijke leer te verdedigen, droegen zakelijk geene andere leer voor dan die van de Remonstranten of van Hugo Grotius 3). Hetzelfde was het geval in de New England Theology. De oudere Jonathan Edwards verdedigde nog de orthodoxe leer 3), maar Edwards Jr., Smalley, Maxey, Burge, Dwight, Emmons, Spring, droegen de gouvernementeele theorie van Grotius voor4). Velen gingen nog verder en verwierpen heel de leer der voldoening. Ernesti bestreed de leer der drie ambten daarmede, dat de namen van profeet, priester en koning onduidelijke, Oudtest. voorstellingen

1) Oonf. en Apol. Conf. c. 8. Limborch, Theol. Christ. III c. 18—23.

2) In zijne Defensio fidei catholicae de satisfactione Christi 1617.

3) Verg. bijv. Knapp, Vorlesungen über die Christi. Glaubenslehre II 222\. Bretschneider, Dogm. II4 bl. 239v. Reinhard, Dogm. § 107. Vinke, Theol. Christ. dogm. 1853 bl. 1490. Egeling, Weg der Zaligheid II 175 enz.

4) Edwards, Works I 582, cf. Ridderbos, De Theol. van Jon. Edwards 190

bl. 294v.

5) Verg. E. Park, The atonement, discourses and treatises of Jon. Edwards, Smalley, Maxey, Emmons etc. New-York 1860. A. A. Hodge, The atonement. Philad. 1867 bl. 328.

Sluiten