Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om aan den persoon en het werk van Christus eene blijvende plaats in de religie te verzekeren. In Duitschland werd die eerst vooral door Schleiermacher, daarna door Ritschl beproefd. Eerstgenoemde tracht de Erlösung tot stand te doen komen in den weg eener mystische vereeniging van den mensch met Christus. Christus deelde n.1. te allen tijde in de gemeenschap met God en was daardoor heilig en zalig. Als zoodanig kwam Hij tot ons en ging Hij in tot onze gemeenschap. Hij kreeg deel aan ons lijden, leed priesterlijk met ons mede en handhaafde zijne heiligheid en zaligheid tot in de diepste smart, tot in den dood des kruises toe. Maar nadat Hij alzoo eerst in onze gemeenschap is ingegaan, neemt Hij daarna, niet door zijn woord en voorbeeld slechts, maar door de mystieke werking, die er uitgaat van heel zijn persoon, ons in zijne gemeenschap op, en doet ons door zijne verlossende werkzaamheid in zijne heiligheid, en door zijne verzoenende werkzaamheid in zijne zaligheid deelen; de Erlösung, bestaande in wedergeboorte en heiligmaking, gaat dus bij Schleiermacher, evenals bij Rome, aan de Yersöhnung, de vergeving der zonden, vooraf, en beide hebben niet zoozeer buiten ons, in Christus, als veeleer binnen in ons plaats 1). Deze mystische theorie werd de grondgedachte der verzoeningsleer in de Vermittelungstheologie ), en oefende ook daarbuiten, o. a. op Hofmann 3), een sterken invloed

i) Schleiermacher, Chr. Gl. § 101—104, verg. Stephan, Die Lehre Schl. v. d.

Erlösung. Tübingen 1903.

*) Nitzsch, Syst. d. Chr. Lehre § 80. 134-136. Eothe, Theol. Ethik § 541-548. Schoeberlein, art, Yersöhnung in PRE 1 en Prinzip und Syst. d. Dogm. bl. 182 v. 647 v. Martensen, Dogm. § 156—169. Lange, Dogm. II 813-908, en vele anderen.

3) Hofmann, Schriftbeweis» I 47 v. II 1 bl. 318 v. 455 v. ontkent, dat Jezus lijden en sterven een gericht Gods, eene straf voor onze zonden, eene plaatsvervangende voldoening was. Christus leed niet in onze plaats, maar wel ons ten goede. God liet n.1. toe, dat zijn Zoon, de heilige en rechtvaardige, aan de handen der zondaren werd overgegeven en al de vijandschap der zonde ervoer, opdat Hij, in dat lijden zijne trouw bewijzende en tot den einde toe gehoorzaam blijvende, zijn Heilandsberoep vervullen zou. En dit bestond daarin, dat Hij door zijne volkomene gehoorzaamheid de aanvang werd van eene nieuwe, met meer door de zonde, maar door zijne gerechtigheid bepaalde verhouding van God en mensch, het hoofd van eene nieuwe, met Hem beginnende menschheid. Deze vervanging van de objectieve verzoening Gods door de subjectieve verlossing des menschen vond bij Philippi, Thomasius, Delitzsch e. a. sterke weerspraak, cf Weiszacker, Um was handelt es sich in dem Streit über die Versöhnungslehre . Jahrb. f. deutsche Theol. 1858 bl. 155-188. Philippi, Kirchl. Gl. IV 2 bl. 201 v.

Nauw verwant is hiermede ook de voorstelling van Kohlbrugge. Door de zon e

Sluiten