Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit. Maar, ofschoon Schleiermacher zich bij het spraakgebruik der kerkelijke theologie aansloot en ook de leer der drie ambten overnam, het bleek toch weldra, dat hij op menig punt van de leer der Schrift en der kerk afweek, de zonde en het schuldgevoel niet voldoende tot hun recht deed komen, en de verlossing te eenzijdig van de aesthetische zijde, als harmonie met de wereld, opvatte.

Kitschl sloeg daarom een anderen weg in. Afkeerig van theologische en philosophische speculatie, ging Hij van den Christus der kerk tot den persoon van Jezus terug, en zette voor de mystische eenheid van Christus en de gemeente de ethische beschouwing van zijn persoon en werk in de plaats. Ook volgens Kitschl is de verzoening niet in verband te brengen met God als rechter, met zijne wrekende gerechtigheid of toorn, met eene rechtsorde van loon en straf; want dat is eene juridische, farizeesche opvatting van de verhouding van God en mensch, die in de religie niet thuis behoort. God is wezenlijk liefde, en zijne gerechtigheid bestaat daarin, dat Hij onveranderlijk de menschen tot de zaligheid brengen en een Godsrijk in hen verwezenlijken wil. Maar nu is de menschheid vanwege de zonde verre van God, zij gaat gebukt onder het bewustzijn van schuld, zij heeft het gevoel, dat zij in een toestand van straf verkeert, zij vreest en durft God niet naderen, zij leeft niet in gemeenschap met God. Daarom is Christus gekomen, om ons de liefde Gods te openbaren. De leer der drie ambten ontmoet bij Kitschl bezwaar; het woord ambt hoort alleen in eene rechtsgemeenschap thuis; in eene zedelijke gemeenschap der liefde is het beter te spreken van een beroep; de drie ambten zijn bij Christus ook niet uit elkander te houden en loopen in elkaar; indien men ze behouden wil, staat het koninklijk ambt op den voorgrond, Christus is aangesteld tot koning, om eene gemeente, een rijk Gods op aarde te stichten, en daartoe heeft Hij God geopenbaard als

heeft de mensch het beeld Gods verloren, dat is, het heilig element, waarin hij vroeger leefde, en is geheel en al vleesch geworden. Maar Christus, de Zone Gods, heeft ditzelfde zondige vleesch aangenomen, dat wij thans hebben, en heeft toch in dezen toestand, in weerwil van alle verzoeking en strijd, zich door het geloof aan God en zijn woord vastgeklemd, zich in zijn eigen stand, waarin Hij was, gehandhaafd, en het tot den einde toe betuigd: Ik ben die Ik ben, Ik en de Vader zijn één. Daardoor maakte Hij God tot onzen God, Zijn Vader tot onzen Vader. Hij gaf Gode zijn crediet weder, ontving daarvoor eere en heerlijkheid, en doet nu zijn volk, dat Hij in zijn lichaam droeg, in die heerlijkheid deelen. Zie D>\ J. van Lonkhuyzen, H. F. Kohlbrugge bl. 418 v.

Geref. Dogmatiek III. 25

Sluiten