Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij ons wegnam, daardoor ons vrijen toegang tot den Vader gaf, (rechtvaardiging) en onzen wil richtte op het doel, dat God met zijne menschheid beoogt (verzoening) 1).

De school van Ritschl heeft het in deze religieus-ethische waardeering van het werk van Christus niet verder gebracht 2). Kaftan bijv. sluit zich nog nauwer dan Ritschl bij de orthodoxe terminologie aan, maar stemt in de grondgedachte geheel met hem overeen 3). Het werk van Christus was een goddelijk werk, dat is, een werk naar zijne Godheid of naar zijne eenheid met God, en het was tegelijk van het begin tot het einde een eigen, actief werk van den mensch Jezus ; het heil is dus tegelijk gave Gods en vrucht van Christus' gehoorzaamheid. Het bestond niet daarin, dat Christus, door de straf voor onze zonden te dragen, aan Gods gerechtigheid voldeed en zijne vergeving voor ons verwierf; maar het droeg het karakter van eene ten einde toe gehandhaafde trouw en gehoorzaamheid aan God. De heilige liefde kon zich niet anders in deze zondige wereld betoonen, en Christus kon haar niet anders openbaren en verwezenlijken, dan in den weg eener gehoorzaamheid tot in den dood toe. Immers, als God in Christus zijn heiligen liefdewil wilde openbaren, dan moest dit bij de Joden, bij de menschheid, door hen vertegenwoordigd, bij ons allen als zondige, natuurlijke menschen al den haat en al de vijandschap wakker roepen, die er woonde in het hart. In dien zin is het waarachtig; wij sloegen Hem aan het kruis, onze zonde was de oorzaak van zijn dood. Maar als Kaftan nu toekomt aan de vraag, hoe die dood van Christus, welke door onze zonde veroorzaakt werd, een middel voor onze rechtvaardiging en wedergeboorte is en als zoodanig noodzakelijk is, dan weet hij niet anders te antwoorden, dan dat factisch aan den dood en de opstanding van Christus de kennis van Gods heilige liefde zich ontwikkeld heeft, de gemeente tot stand gekomen is, bekeering en geloof gewekt, de weldaden van rechtvaardiging en wedergeboorte genoten zijn ; de dood van Christus was dus in één

*) Joh. Wendland, Albr. Ritschl und seine Schüler. Berlin 1899 bl. 116 v. J. Orr, The Ritschlian Theol. and the Evang. faith. London 1897 bl. 149 v.

2) Verg. Herrmann, boven reeds aangehaald. Schuitz, Grundriss der ev. Dogm. § 44—46. Haering, Zu Ritschl's Yersöhnungslehre. Zurich 1888. ld., Zur Versöhnungslehre. Göttingen 1893. Id., Der Chr. Gl. bl. 408 v. Nitzsch, £v. Dogm. bl. 504-513. Ziegler, Zeits. f. Th. u. K. 1895. Gottschick, Propter Christum, ib. 1897 bl. 352 v. Niebergall, ib. 1897 bl. 461 v.

3) Kaftan, Das Wesen der chr. Rel. bl. 246 v. Dogmatik § 58—60.

Sluiten