Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

persoon God en mensch vereenigde. Aan die eenheid is Hij getrouw gebleven tot in den dood toe; in de tot den einde toe gehandhaafde gemeenschap van God en mensch heeft Hij het recht Gods, niet voldaan, dat is veel te zwak uitgedrukt, maar ten volle verheerlijkt, en zoo heeft Hij daardoor ook de opstanding en het leven verworven voor allen, die in zijne gemeenschap ingaan. "Wij hebben niet zoozeer door, als wel in Christus vergeving en vrede, opstanding en leven. De plaatsvervanging is bij de la Saussaye, om in de taal van Ritschl te spreken, niet exclusief, maar inclusief1).

De moderne theologie stelde in het leerstuk der verzoening oorspronkelijk weinig belang; zij was van huis uit ook veel meer eene wetenschappelijke dan eene religieuze beweging, ontstaan onder den indruk der nieuwe natuurwetenschap en der historische Schriftcritiek. In betrekking tot zonde en verzoening kenmerkte zij zich door groote nuchterheid, want zij dacht hoog van den zedelijken aanleg des menschen, en had aan Jezus als profeet, als voorbeeld, als zedelijk ideaal genoeg2). Zonde was niet door een val ontstaan en erfde niet over van ouders op kinderen, maar was een noodzakelijk gebrek, dat langzamerhand overwonnen zou worden, een moment in de ontwikkeling, een nog-niet-zijn van wat de mensch naar zijne idee wezen moest en worden zou. Aan verzoening werd daarom geene behoefte gevoeld; God had de zonde zelf in zijne opvoeding van den mensch gewild, en zou ze daarom ook als Vader van zelf vergeven aan een iegelijk, die met ernst en volharding streefde naar het zedelijk ideaal; en dat was feitelijk toch het geval met alle menschen, de een was den ander op denzelfden weg slechts een weinig vooruit. Bij dit moralisme kwam echter de religie te kort, en het oppervlakkig optimisme zag zich spoedig op droeve wijze teleurgesteld. De macht der zonde bleek in eigen hart en in de menschheid veel grooter te zijn, dan men zich eerst had voorgesteld; met de cultuur nam de ongerechtigheid en ook de ellende toe; het volk bleek van de moraalprediking niet gediend te zijn, en keerde aan de kerk den rug toe of verzamelde zich om de verkondiging van het Evangelie der Schrift. Zoo kwam er uit de kringen der modernen eene schare van malcontenten voort, die, onbevredigd door de koude wetsprediking,

x) Zie mijne Theol. van de la Saussaye2 bl. 48.

2) Scholten, L. H. K. I 410 v. II 26 v. Hoekstra, Godg. Bijdr. 1866 273 v. Grondslag, wezen en openbaring van het godsd. geloof 1861 bl. 201 v.

Sluiten