Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijv. was de dood van Christus een noodzakelijk gevolg van de tronw aan zijn Messiaansch beroep en tegelijk eene openbaring van den ernst der zonde en van de solidariteit van het menschelijk geslacht. Maar dat die dood door God geëischt werd en voor de verzoening der zonden noodzakelijk was, vormt geen bestanddeel van het oorspronkelijk Evangelie van Jezus, hetwelk de genadige vergeving der zonden verkondigt, doch is er eerst later door Paulus aan toegevoegd. Toch was de dood van Christus eene bron van zegeningen voor het menschelijk geslacht, en wij krijgen daar deel aan, als wij ons met Hem vereenigen en ééne plant met Hem worden door het geloof1). In weerwil van al deze nieuwere reconstructies, blijft de belijdenis van Jezus' plaatsvervangend lijden en sterven in de gemeente leven en vindt zij ook in de theologie nog menigvuldige en min of meer besliste voorspraak 2).

381. Het geloof, dat Jezus de Christus is, maakte van den beginne af het hart en de kern der Christelijke belijdenis uit. Met deze aanspraak, dat Hij de Christus was, trad Jezus zelf op; door dit geloof kwade théol. et de philos. 1889. Sécrétan, Théologie et religion. Lausanne 1883 bi. 45. Bovon, Etude sur 1'oeuvre de la Rédemption 1893 v. Sabatier, La doctrine de 1' expiation et son évolution historique. Paris 1903. G. Frommel, La psychologie du pardon dans ses rapports avec la croix de Jésus Christ. (1905).

r) Ménégoz, La mort de Jésus et le dogme de 1' expiation. Paris 1905.

-) "Verg. behalve de boven reeds genoemde werken: Tholuck, I.ohre v. d. Sünde und v. d. Yersöhner 1823. Vilmar, Dogm. § 48. Böhl. Dogm. bl. 361 v. Bula, Die Versöhnung des Menschen mit Gott durch Christum oder die Genugthuung. Basel 1874. Koelling, Die Satisfactio vicaria, d. i. die Lehre v. d. stellvertr. Genugthuung des Herrn Jesu. Gütersloh 1897. Ebrard, Dogm. § 396 v. Id., Die Lehre v. d. stellvertr. Genugthuung 1857. Bensow, Die Lehre v. d. Versöhnung. Gütersloh 1904. Hodge, Syst. Theol. II 480 v. Shedd, Dogm. Theol. II 378 v. A. A. Hodge, The atonement. Philad. 1867. Warfield, Modern theories of the atonement, Princeton Theol. Rev. Jan. 1903. Candlish, The atonement, its reality, completeness and extent. London 1861. Hugh Martin, The atonement in its relations to the covenants, the priesthood, the intercession of our Lord. Edinburgh z. i■ John Scott Lidgett, The spiritual principle of the atonement as a satisfaction made to God for the sins of the world. London 1898. James Denney, The death of Christ, its place and interpretation in the New Test. London 1909. Id., The atonement and the modern mind. London 1908. James Stalker, The atonement. London 1908. Merle d' Aubigné, L'expiation de la croix. Paris 1867. H. Bois, La nécessité de 1'expiation, Revue de théol. de Montauban 1888. Id., Expiation et solidarité, ib. 1889. Grétillat, Exposé de théol. syst. IY 300 v. Van Oosterzee, Christ. Dogm. § 108 v. J. A. C. van Leeuwen, Verzoening. Utrecht 1903. Vellenga, De voldoening, eene reeks artikelen in Theol. Stud. 1906 v.

Sluiten