Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men de Christenen zoowel tegenover de Joden als tegenover de Heidenen als eene bijzondere secte te staan; naar den naam van Christus werden de geloovigen te Antiochië het eerst Christenen genoemd. De namen van Jezus en Christus werden daarom in de apostolische geschriften al spoedig ten nauwste met elkander verbonden en helderden elkander op, evenals de persoon van Christus uit zijn werk, en het werk van Christus uit zijn persoon wordt verstaan. De naam, die in het Grieksch door Irjoovg en in het Latijn door Jesus, Jhesus, Hiesus werd weergegeven, was onder de Israelieten een gewone naam, en komt in het Oude Testament in niet minder dan vier vormen voor. Soms wordt de naam voluit als Sfraifr, Deut. 3 : 21, Richt. 2:1, of als rdirp, Ex. 17 :9, Num. 13:16, Joz. 1 : 1, Richt. 2:6, 1 Sam. 6:14, 18, 2 Kon. 23:8, Hagg. 1:1, Zach. 3:1, geschreven; en soms komt hij ook voor in den verkorten vorm van rdin, Num. 13 :8, 2 Kon. 15:30, Hos. 1:1, Neh. 10:24, of yiö1, Ezr. 2:2, 6, Neh. 7:7, 11, 39 enz.

Het is nog niet ten volle opgehelderd, hoe de langere vorm Jehosua tot Jesua (met eene e) verkort kan worden, noch ook, hoe de jod in den naam Hosea geheel wegvallen kon. En ook staat de afleiding van den naam wetenschappelijk nog niet vast. Vroeger zag men in den naam Jehosua gewoonlijk den 3 pers. imp. hi. (naast den vorm yrairr, Ps. 116 :6) van het werkwoord r:-, zoodat de beteekenis dan zijn zou: Hij, n.1. Jhvh, zal helpen of redden; tegenwoordig beschouwen velen den naam als samengesteld uit i--1 en Ï'to, zoodat de zin dan is: Jhvh is hulp of heil (verg. ongeveer dezelfde samenstelling, in omgekeerde orde, in den naam irrrd Jes. 1:1 1). Hoe dit zij, van ouds bracht men den naam met het werkwoord sur, helpen, redden, in verband; Mozes gaf met opzet aan Hosea, den zoon van Nun, den naam van Josua, Num. 13:8, 16, en in Mt. 1:21 gaf Jozef op uitdrukkelijk bevel van den engel aan zijn zoon den naam van Jezus, omdat Hij zijn volk zou zaligmaken van hunne zonden. De naam werd ook nog wel later door andere personen gedragen, Hd. 7 : 45, Hebr. 4 :1, Col. 4 : 11, maar komt toch aan Jezus toe in geheel eenigen zin. De Jezuïten hebben zich later nog wel naar dien naam genoemd, maar zij matigden zich daarmede een titel aan, waarop niemand aanspraak mag maken, wijl Christus alleen de Zaligmaker is; bovendien hebben zij door hun stelsel en gedraging aan hun eigen naam

Eb. Nestle, art. Jesus in Hastings. Dict. of Christ I 860

Sluiten