Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar dat koningschap van Christus is van dat van aardsche vorsten zeer onderscheiden; het heeft zijn type alleen in het theocratisch, in het Davidisch koningschap, hetwelk wezenlijk van dat van andere koningen onderscheiden is; het is een koningschap in G-ods naam, aan Gods wil ondergeschikt, alles heenleidend tot Gods eer; het is geen koningschap van geweld en wapenen, maar het heerscht en regeert op eene gansch andere, veel betere wijze; het heerscht door Woord en Geest, door genade en waarheid, door recht en gerechtigheid. De koning is daarom tegelijkertijd profeet en priester; zijn macht staat in dienst van de waarheid en de gerechtigheid.

Omdat echter het koningschap van Christus een geheel eigenaardig karakter draagt, maken velen bezwaar, om van zijn koninklijk ambt te spreken of bezigen den titel van koning bij Christus in overdrachtelijken zin 1). Ja velen achten het beter, bij Christus niet van ambt, maar van persoonlijk beroep te spreken, want ambt hoort in eene rechtsgemeenschap thuis en Christus' koninkrijk is een rijk der liefde en niet des rechts 2). Inderdaad is een ambt van beroep, ambacht, betrekking daarin onderscheiden, dat het eene overheid onderstelt, op eene aanstelling door die overheid berust, en die overheid dient met zijn persoon, niet voor loon. Maar juist daarom is ambt het woord, dat ten aanzien van Christus behoort gebezigd te worden. Want Hij heeft zichzelven de middelaarswaardigheid niet aangenomen, maar God heeft Hem verkoren, geroepen, aangesteld, Ps. 2:7, 89 :19โ€”21, 110 :1โ€”4, 132 : 17, Jes. 42 : 1, Hebr. 5:4โ€”6; de naam Christus is geen beroeps-, maar een ambtsnaam, een titel, eene waardigheid, waarop Jezus aanspraak heeft, omdat Hij door God zeiven verkoren is. Onder het O. T. weiden vooral de koningen gezalfd, Richt. 9 : 8, 15, 1 Sam. 9 :16, 10 : 1, 16:13, 2 Sam. 2:4, 5: 3, 19:10, 1 Kon. 1:34, 39, 2 Kon. 9:1, 11:12, 23 : 30, waarschijnlijk met de heilige zalfolie, 1 Kon. 1: 39, Ps. 89:21; gezalfde was de naam van den theocratischen koning, Ps. 20 : 7, 28 : 8, 84 : 10, 89 : 39 enz. De zalving met olie was symbool van de Goddelijke wijding, van de toerusting met den Geest Gods, 1 Sam. 10:1, 9, 10. En deze zalving, niet in uitwendigen, symbolischen, maar in geestelijken, wezenlijken zin werd Christus deelachtig, Jes. 11: 2, 42 :1, 61:1, Ps. 2 : 6, 45 : 8, 89 : 21, Luk. 4 :18, Joh. 3 : 34, Hd. 4: 27, 10: 38, Hebr. 1: 9, bij zijne

*) Wegscheider, Inst. theol. ยง 144. Scholten, L. H. K. I 369 v. 2) Bitschl, Rechtf. u. Vers. III2 402.

Sluiten